De fysieke verwerking van reparatiemortel start steevast bij de sanering van het aangetaste oppervlak. Men kapt loszittende of gecarbonateerde delen weg tot de gezonde kern van het bouwmateriaal zichtbaar is. Randen worden haaks ingesneden. Dit voorkomt het uitvloeien van de mortel naar flinterdunne lagen die gevoelig zijn voor onthechting. Bij blootliggende wapening volgt een grondige ontroesting, waarna vaak een minerale corrosiebescherming wordt aangebracht die tevens als hechtbrug fungeert.
Ondergrondvoorbereiding is de spil waar alles om draait. De basis moet verzadigd zijn met water, maar zonder dat er een vloeistoffilm op het oppervlak staat; dit noemt men matvochtig. Zo wordt voorkomen dat de capillaire werking van de oude ondergrond het noodzakelijke hydratatiewater uit de verse mortel zuigt. Het mengen van de mortel gebeurt mechanisch met een dwangmenger of een mengspindel op een laag toerental om luchtinsluiting te minimaliseren en een homogene massa te garanderen.
De eigenlijke applicatie vindt handmatig plaats met een troffel of spaarbord, waarbij de mortel krachtig in de defecten wordt gedrukt om volledige omsluiting te waarborgen. Bij grotere laagdiktes of omvangrijke schades wordt er vaak in meerdere lagen gewerkt of valt de keuze op spuitapplicatie. Door de thixotrope eigenschappen van het materiaal blijft de mortel ook bij verticale en bovenhandse vlakken stabiel staan zonder uit te zakken. Zodra de mortel begint op te stijven, volgt de afwerking. Dit proces van schuren, pleisteren of filzen is bepalend voor het visuele eindresultaat en de aansluiting op de bestaande structuur. Nabehandeling sluit de uitvoering af. Het afdekken met folie of het vernevelen van water is essentieel om krimpscheuren door voortijdige uitdroging te voorkomen.
Niet elke reparatie dient hetzelfde doel. De Europese norm EN 1504-3 deelt reparatiemortels in vier klassen in, van R1 tot en met R4. Voor licht esthetisch herstel van niet-dragende delen volstaan de klassen R1 en R2; denk aan het wegwerken van een luchtbelletje of een kleine beschadiging aan een prefab gevelelement. Zodra de mortel onderdeel wordt van de constructieve integriteit, verschuift de noodzaak naar klasse R3 of R4. Deze mortels hebben een hoge druksterkte en een elasticiteitsmodulus die nauw aansluit bij de eigenschappen van beton van hoge sterkteklassen.
Het onderscheid in bindmiddel bepaalt de toepasbaarheid. CC-mortel (Cementitious Mortar) is puur cementgebonden en wordt vaak ingezet bij eenvoudige herstellingen waar weinig spanning wordt verwacht. De meest toegepaste variant in de betonreparatie is echter PCC-mortel (Polymer Cement Mortar). Hierbij zijn kunststofpolymeren toegevoegd die de treksterkte en de hechting op de oude ondergrond drastisch verbeteren. Voor extreme chemische belastingen of zeer snelle ingebruikname bestaat PC-mortel (Polymer Mortar), waarbij cement volledig is vervangen door reactieharsen zoals epoxy of polyurethaan. Hardt razendsnel uit. Is vloeistofdicht. Maar let op de thermische uitzettingscoëfficiënt die afwijkt van de minerale ondergrond.
Soms vraagt de situatie om specifieke additieven. Vezelversterkte reparatiemortel bevat kunststof- of staalvezels die de krimpspanningen tijdens het uitharden opvangen. Dit reduceert de kans op microscheuren aanzienlijk. Bij grotere volumes waarbij bekisting wordt toegepast, spreekt men niet van een thixotrope mortel maar van een gietmortel of vloeimortel. Deze vloeit moeiteloos in elke hoek zonder dat trillen noodzakelijk is.
Er is een wezenlijk verschil tussen reparatiemortel en egalisatiemortel. Waar een egalisatiemiddel dunvloeibaar is en bedoeld voor het uitvlakken van grote vloeroppervlakken, is reparatiemortel standvast. Standvermogen is de sleutel. Je wilt immers niet dat de mortel uit een verticaal gat loopt terwijl je de troffel nog in de hand hebt.
Stel je de hoek van een betonnen kolom in een parkeergarage voor. Een auto raakt het beton, de hoek brokkelt af en de wapening ligt direct bloot. Hier gebruik je een krimpvrije, standvaste PCC-mortel. Je bouwt de hoek handmatig weer op zonder dat het materiaal naar beneden zakt. Het resultaat is een herstelde vorm die weer volledige bescherming biedt aan het staal.
Prefab elementen op de bouwplaats hebben vaak last van transportschade. Een scherf uit een zichtgevel is geen constructief drama, maar het oog wil ook wat. Een fijne, cosmetische reparatiemortel in de juiste kleur biedt uitkomst. Even vullen, gladstrijken met een natte spons en na droging is de schade onzichtbaar voor de bewoners. Snel gefixed.
Bovenhoofds werken in een kelderruimte is een uitdaging. Betonrot aan het plafond zorgt voor loshangende schilfers. De zwaartekracht is je vijand. Een reparatiemortel met een extreem hoog standvermogen is hier de enige optie. Je drukt de mortel krachtig tegen het natgemaakte plafond en het blijft direct zitten zonder dat je een bekisting hoeft te timmeren. Geen geknoei op de vloer. De dekking op de wapening is weer conform de eisen.
Bij het herstel van een monumentale trap waarbij de treden door jarenlang gebruik zijn uitgesleten, kies je voor een mortel die qua hardheid en korrelstructuur exact aansluit bij de bestaande natuursteen, zodat er geen spanningsverschillen optreden die nieuwe scheuren zouden kunnen forceren. In de industrie kom je vloeistofdichte reparaties tegen. Een vloer in een chemische opslag is aangetast door zuren. Hier volstaat een gewone cementmortel niet. Een PC-mortel op basis van epoxy wordt ingezet om het gat te dichten. Snel hard. Chemisch resistent. Direct weer belastbaar door zwaar transport.
De Europese Verordening Bouwproducten (CPR) vormt het wettelijk fundament voor het verhandelen van reparatiemortels. Fabrikanten zijn verplicht een prestatieverklaring op te stellen, de Declaration of Performance (DoP). Geen DoP betekent geen CE-markering. Voor de professionele markt is de NEN-EN 1504-serie de allesbepalende normatieve gids. Specifiek deel 3 van deze norm stelt de eisen vast voor constructieve en niet-constructieve reparaties. Hierin worden de minimale prestaties vastgelegd voor zaken als hechting, druksterkte en chloridegehalte. Zonder conformiteit aan deze norm mag een mortel in veel bestekken niet worden toegepast.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt algemene kaders voor de veiligheid en duurzaamheid van bouwwerken. Bij reparatie aan dragende constructies is de constructieve veiligheid uit de Eurocodes leidend. De mortel moet de constructie terugbrengen naar het vereiste veiligheidsniveau. In Nederland is de CUR-Aanbeveling 118 vaak de praktische vertaling van deze complexe regelgeving voor de uitvoering van betonreparaties. Het borgt dat de juiste klasse mortel op de juiste plek belandt.
Arbeidsomstandigheden zijn eveneens wettelijk verankerd. De Arbowet dwingt werkgevers om de risico's van werken met cementgebonden producten te beperken. Het Veiligheidsinformatieblad (VIB) is hierbij onmisbaar. Let vooral op de gevaren van kwartsstof tijdens het mengen; stofvrij werken is geen advies maar een verplichting. Chemische toevoegingen in PCC- of PC-mortels vallen onder de REACH-verordening, wat strikte regels stelt aan het gebruik en de etikettering van deze stoffen.
Vroeger was er simpelweg 'specie'. Een mengsel van zand, kalk en later Portlandcement dat voor elk gat werd gebruikt. Maar beton ging kapot. De massale wederopbouwarchitectuur uit de jaren vijftig en zestig toonde al snel haar zwakke plekken. De dekking op de wapening bleek vaak te gering. Herstel met traditionele metselspecie faalde steevast door krimp; de reparatie liet los nog voordat de steiger was afgebroken. De industrie moest wel reageren.
De jaren zeventig markeren een kantelpunt. Het was de tijd waarin 'betonrot' een maatschappelijk begrip werd. Chemici experimenteerden met vloeibare harsen en kunststofdispersies om de natuurlijke tekortkomingen van cement op te vangen. De geboorte van de PCC-mortel. Plotseling ontstond er een materiaal dat niet alleen drukkrachten opving, maar ook kon hechten aan een oude ondergrond zonder direct los te scheuren. Techniek verving giswerk. In de jaren tachtig en negentig verschoof de focus naar thixotropie; mortels moesten blijven 'staan' tegen plafonds zonder bekisting. De professionalisering werd begin deze eeuw voltooid met de invoering van de EN 1504-normering. Wat ooit begon als een emmer zand en cement, is nu een nauwkeurig uitgebalanceerd chemisch product waarbij elke gram telt.