Reliëfmetselwerk

Laatst bijgewerkt: 06-01-2026


Definitie

Metselwerk waarbij bakstenen bewust buiten of binnen het normale gevelvlak worden geplaatst om tactiele en visuele patronen te vormen door middel van diepteverschil.

Omschrijving

Reliëf in de gevel breekt de eentonigheid van het grote vlak. Het is een spel met diepte. Door koppen of strekken te laten verspringen, ontstaat een dynamisch patroon dat reageert op de stand van de zon. De metselaar werkt hierbij vaak buiten de traditionele draad. Dit vraagt om uiterste precisie. Kleine afwijkingen worden door de schaduwwerking namelijk direct uitvergroot. Het gaat niet alleen om decoratie, maar om het geven van een derde dimensie aan een constructief element. Soms subtiel, soms brutaal aanwezig. De schaduw doet het werk.

Uitvoering van reliëfmetselwerk

Werkwijze en positionering

Het proces start bij een rigoureuze maatvoering die afwijkt van de standaard vlakke gevel. Waar een regulier metselwerk één strakke lijn volgt, vraagt reliëf om een driedimensionaal raster. De metselaar hanteert vaak meerdere draden tegelijk of maakt gebruik van specifieke sjablonen om de variërende dieptes van de stenen te beheersen. Elke steen wordt individueel gepositioneerd ten opzichte van het achterliggende vlak. Dit gebeurt handmatig. Soms wordt er gewerkt met een 'vliegende draad' die per laag wordt verzet om de exacte overstek of inkassing te bepalen. De controle op de loodlijn is hierbij complexer; kleine afwijkingen in de diepte vallen door de natuurlijke schaduwwerking onmiddellijk op.

De consistentie van de mortel is bij deze techniek een kritische factor. Bij uitkragende stenen moet de specie voldoende standvastig zijn om het gewicht van het uitstekende deel te dragen zonder dat de steen gaat kantelen. Er wordt vaak gewerkt met een stijvere mortelmix. Het metseltempo ligt aanzienlijk lager dan bij vlak werk. Dit komt door de constante controle op het patroon en de noodzaak om de stenen exact op hun plek te drukken zonder de omliggende stenen te verstoren. Patronen ontstaan door het systematisch herhalen van deze positionele verschuivingen, waarbij de visuele lijn en de schaduwval de leidraad vormen voor de uiteindelijke textuur van de gevel. Voegwerk volgt de contouren van het reliëf nauwgezet, waarbij de diepte van de voeg wordt aangepast aan de gewenste expressie van de baksteen.


Typen en geometrische varianten

Richting van het volume

Reliëf in de gevel manifesteert zich hoofdzakelijk via twee bewegingen: de uitkraging en de inkassing. Bij uitkragend metselwerk springen stenen of steenreeksen naar voren. Ze verlaten het vlak. Dit creëert harde schaduwen. Inkassend metselwerk doet het omgekeerde; hierbij liggen bepaalde elementen juist dieper dan de omliggende stenen, wat een subtieler spel van diepte en beschutting geeft.

  • Zaagtandreliëf: De stenen worden onder een hoek van bijvoorbeeld 45 graden geplaatst. Dit geeft een gekarteld oppervlak dat vanuit verschillende kijkhoeken een totaal ander beeld oplevert.
  • Blok- of pixelpatronen: Groepen stenen verspringen gezamenlijk. Dit creëert een ritmisch raster dat doet denken aan digitale pixels of zware, monolithische texturen.
  • Verticaal versus horizontaal: Door uitsluitend de koppen of juist de strekken te laten verspringen, wordt de nadruk gelegd op de verticaliteit of horizontaliteit van een gebouw. Een verticale accentuering kan een gebouw optisch verhogen.

Het onderscheid met regulier siermetselwerk is essentieel. Waar siermetselwerk zich vaak beperkt tot patronen in kleur of specifieke verbanden binnen het platte vlak, forceert reliëfmetselwerk altijd een fysieke breuk met de rooilijn van de muur. Het is architectonische plastiek op de vierkante millimeter. Soms functioneel als zonwering, vaker louter esthetisch.


Onderscheid met aanverwante technieken

Verwarring met vlechtwerk komt voor. Toch is de intentie anders. Vlechtwerk wordt toegepast langs de schuine zijden van topgevels om de hechting te versterken. Reliëf zoekt de expressie in het volle vlak. Het gaat niet om de randafwerking, maar om de textuur van de huid. Ook het verschil met een 'uitbuikende' muur moet helder zijn; bij reliëf is de vervorming een gecontroleerde ontwerpkeuze, niet een constructief gebrek of een verzakking door druk.

Klampmetselwerk is eveneens een ander begrip. Dat betreft metselwerk op zijn smalle kant voor dunne wanden. Bij reliëf wordt de steen vaak in zijn reguliere dikte gebruikt, maar simpelweg verschoven in de mortel. De techniek raakt soms aan de 'hit-and-miss' methode, waarbij stenen volledig worden weggelaten om gaten te creëren. Hoewel dit ook diepte geeft, valt dit onder opengewerkt metselwerk. Reliëf blijft in de basis een gesloten, maar geaccidenteerd vlak.


Praktijkvoorbeelden en visuele effecten

Denk aan de blinde zijgevel van een modern museum. Een enorme massa baksteen die zonder ingrepen monotoon zou ogen. Hier past de architect een pixelpatroon toe. Clusters van stenen springen drie centimeter naar voren, terwijl andere groepen juist twee centimeter diep liggen. Zodra de zon draait, transformeert het gebouw. Lange, scherpe schaduwen trekken over de gevel. De muur komt tot leven. Het is plastiek in de meest pure vorm; de stenen lijken te zweven in het vlak.

In de hedendaagse woningbouw zien we reliëf vaak terug in de borstweringen onder kozijnen. Een subtiele ingreep. De metselaar laat de koppen van de stenen om en om een fractie uitsteken. Het resultaat is een fijnmazig schaduwlijntje dat de horizontaliteit van de gevel benadrukt. Geen dure sierlijsten of prefab elementen. Puur metselwerk. Soms is een enkele laag die slechts een centimeter terugligt al genoeg om visueel onderscheid te maken tussen de begane grond en de eerste verdieping.

Een meer uitgesproken situatie vind je bij de entree van een openbaar gebouw. Hier wordt vaak een zaagtandprofiel toegepast rondom de dagkanten van de deurpartij. De stenen staan onder een hoek van 45 graden ten opzichte van de rooilijn. Dit creëert een gekartelde, bijna agressieve textuur die direct de aandacht trekt. Het nodigt uit tot aanraking. Het metselwerk fungeert hier als wegwijzer; de textuur markeert de overgang van de openbare ruimte naar het gebouw. De schaduwwerking is hier zo dominant dat de eigenlijke kleur van de steen ondergeschikt wordt aan de vormkracht van het reliëf.


Constructieve kaders en normering

Veiligheid en stabiliteit

Reliëfmetselwerk valt onder de algemene eisen van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL). Constructieve veiligheid staat voorop. Omdat stenen buiten het reguliere gevelvlak treden, verandert de excentriciteit van de belasting. De NEN-EN 1996-serie, beter bekend als Eurocode 6, vormt hierbij het rekenkundig fundament. Een constructeur moet beoordelen of de stabiliteit van het buitenblad gewaarborgd blijft bij extreme uitkragingen. Vaak resulteert dit in een hogere concentratie spouwankers per vierkante meter. Vooral nabij hoeken en openingen. De verankering moet de extra torsiekrachten kunnen opvangen die ontstaan door de verschoven massa van de bakstenen.

Duurzaamheid en weerbestendigheid

De blootstelling aan weersinvloeden is bij reliëf groter dan bij vlak metselwerk. Uitstekende delen vangen meer neerslag en zijn gevoeliger voor vorst-dooi cycli. De NEN-EN 771-1 stelt eisen aan de vorstbestendigheid van bakstenen. Voor reliëfpatronen is de toepassing van stenen met een hoge vorstbestendigheidsklasse (F2) essentieel om afschilfering te voorkomen. Hemelwater mag niet op horizontale vlakken blijven staan. Dit vereist aandacht voor de detaillering in de mortelspecificaties conform NEN-EN 998-2. Een te poreuze voeg in een verdiept reliëf kan leiden tot vochtophoping achter de gevelsteen.

Esthetische regelgeving

Naast technische normen speelt de lokale welstandsnota een rol. Reliëfmetselwerk heeft een sterke visuele impact op de openbare ruimte. In historische kernen kunnen specifieke richtlijnen gelden voor de maximale diepte van het reliëf om het straatbeeld niet te verstoren. De schaduwwerking wordt door welstandscommissies vaak beoordeeld op de 'plasticiteit' van de gevel. Het ontwerp moet passen binnen de beeldkwaliteitsplannen van de gemeente. Geen abstracte regels, maar concrete beperkingen aan de mate waarin een gevel mag 'uitbuiken' ten opzichte van de rooilijn.


Historische ontwikkeling van plastische gevels

Reliëf in baksteen is geen moderne uitvinding. Al in de Romeinse tijd en later in de Moorse architectuur diende het verspringen van stenen om schaduw te werpen op anders monotone, zonovergoten muren. De gevel kreeg hierdoor diepte. Nederlandse baksteengotiek paste dit subtieler toe. Muizentanden. Boogfriezen. Louter functionele elementen kregen een decoratieve meerwaarde door de derde dimensie op te zoeken.

De Amsterdamse School markeert het absolute hoogtepunt van de baksteenexpressie in Nederland tussen 1910 en 1930. Architecten zoals Michel de Klerk zagen baksteen niet als een platte huid, maar als kneedbare klei. Muren welden op. Hoeken werden afgerond door stenen trapsgewijs te laten verspringen. Dit was de tijd waarin de metselaar promoveerde tot kunstenaar. Het ambacht stond centraal, waarbij de schaduwwerking van de uitkragende koppen de ornamentiek bepaalde zonder dat daar andere materialen voor nodig waren. Na de Tweede Wereldoorlog verdween deze bewerkelijke techniek naar de achtergrond; de wederopbouw vroeg om snelheid en rationalisatie. Efficiëntie werd de norm.

Sinds de jaren negentig herleeft de belangstelling voor textuur in de architectuur. Postmodernisme en later het hedendaags traditionalisme zochten naar manieren om de schaal van grote bouwvolumes te breken. De techniek is echter veranderd. Waar vroeger de metselaar met de draad en het oog het reliëf bepaalde, wordt tegenwoordig vaak gebruikgemaakt van digitale ontwerptools. Parametrisch ontwerp. Robots in de fabriek die prefab metselwerkpanelen samenstellen met complexe patronen die handmatig bijna onuitvoerbaar zijn. De geschiedenis van het reliëfmetselwerk is daarmee een beweging van puur handmatig ornament naar computergestuurde precisiegevels.


Gebruikte bronnen:

Categorieën:

Afwerking en Esthetiek

Bronnen:

Encyclo | Plastica