De montage start bij de positionering ten opzichte van het elektrische voedingspunt. Fixatie geschiedt direct op het vlak. Geen hak- of breekwerk. Waar bij inbouwoplossingen de constructie moet worden aangepast, blijft hier de ondergrond intact. De basisplaat van het armatuur wordt met mechanische bevestigingsmiddelen, zoals schroeven en pluggen, tegen de wand of het plafond verankerd. Bij massieve betonvloeren wordt vaak gebruikgemaakt van de aanwezige centraaldoos als centraal ankerpunt. De behuizing dekt deze doos volledig af.
De elektrische koppeling vindt intern plaats. Draden worden via de achterzijde of een zij-invoer naar de klemmenstrook geleid. Bij zichtbare installaties, zoals in kelders of industriële hallen, sluiten opbouwbuizen middels een wartel of schuifverbinding aan op de zijkant van de armatuurbehuizing. Dit vereist nauwkeurige uitlijning. Na het tot stand brengen van de elektrische verbinding wordt het binnenwerk gefixeerd. De afsluiting van het geheel gebeurt door het plaatsen van de diffuser, reflector of kap. Dit klik- of schroefsysteem zorgt voor de uiteindelijke stof- en vochtdichtheid van het toestel. Het proces kenmerkt zich door snelheid en het behoud van de structurele integriteit van de bouwkundige schil.
De diversiteit binnen opbouwarmaturen wordt primair bepaald door de gewenste lichtspreiding en de esthetische integratie in de ruimte. Plafonnières vormen de meest bekende groep. Deze ronde of vierkante armaturen zijn ontworpen voor algemene basisverlichting en beschikken meestal over een opalen of prismatische afscherming om verblinding tegen te gaan. Voor taakverlichting of het uitlichten van specifieke objecten wordt de opbouwspot ingezet. Dit type is vaak voorzien van één of meerdere richtbare koppen op een gemeenschappelijke basisplaat. In kantooromgevingen en gangen ziet men steeds vaker lineaire opbouwarmaturen. Lange, strakke profielen. Ze bieden de visuele voordelen van een lichtlijn zonder de complexe bouwkundige ingrepen van een verlaagd plafond.
Hoewel veel armaturen universeel zijn, bestaat er een wezenlijk onderscheid in specifiek ontworpen wandarmaturen. Deze armaturen richten de lichtstroom vaak zijwaarts of verticaal langs het muuroppervlak, de zogenaamde up-downverlichting. Hierbij dient de behuizing niet alleen als bescherming, maar ook als architectonisch element. De afmetingen zijn vaak compacter om de doorloop in smalle ruimtes niet te hinderen.
Omgevingsfactoren bepalen de noodzaak voor specifieke technische varianten. In de utiliteitsbouw en industriële sectoren is het onderscheid tussen standaard armaturen en gespecialiseerde units cruciaal.
Het onderscheid met pendelarmaturen is puur constructief. Een pendelarmatuur hangt aan kabels of kettingen, terwijl het opbouwarmatuur direct contact maakt met het bouwvlak. Verwarring ontstaat soms bij railverlichting. Hoewel de stroomrail zelf een opbouwelement is, zijn de armaturen die eraan geklikt worden technisch gezien flexibele componenten van een groter systeem, en geen statische opbouwunits in de klassieke zin.
In een onverwarmde parkeerkelder hangen vaak grijze, slagvaste bakken. De elektrische installatie loopt hier via zichtbare buizen over het plafond. De buis sluit met een waterdichte wartel direct aan op de zijkant van het opbouwarmatuur. Geen sparingen in het beton. Het is puur functioneel. Alles blijft toegankelijk voor onderhoud.
Stel je een modern kantoor voor in een getransformeerd industrieel pand. Het ruwe beton van het plafond is een bewuste esthetische keuze. Inbouwspots zijn technisch onmogelijk zonder de constructieve integriteit aan te tasten. Hier kiest de installateur voor zwarte, cilindrische opbouwdownlights. De armaturen vormen een strak ritme tegen de grijze ondergrond. De bedrading is onzichtbaar weggewerkt achter de montagevoet van de cilinder. Snel geplaatst. Architectonisch verantwoord.
Boven de nooduitgang van een schoolgebouw hangt een platte, witte unit met een verlicht pictogram. De wand is van massief kalkzandsteen. Een inbouwarmatuur zou de brandwerendheid van de muur kunnen verminderen. Daarom is gekozen voor opbouw. Vier schroeven fixeren de behuizing direct tegen het steen. De interne accu is zo eenvoudig te bereiken tijdens de jaarlijkse inspectie. Praktisch en veilig.
De NEN 1010 vormt het fundament voor elke elektrische installatie in Nederland. Voor opbouwarmaturen betekent dit strikte regels omtrent de bescherming tegen aanraking en de deugdelijkheid van de mechanische bevestiging. Een armatuur mag niet zomaar van het plafond vallen. Bij montage in zones met vocht, zoals een badkamer of een buitenluifel, is de IP-classificatie conform NEN-EN-IEC 60529 bepalend voor de toelaatbaarheid.
In utiliteitsgebouwen speelt het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) een cruciale rol. Het reguleert de aanwezigheid en prestaties van noodverlichting. Opbouwarmaturen die fungeren als vluchtwegsignalering moeten voldoen aan de NEN-EN 1838; deze norm specificeert de minimale lichtopbrengst en de kleurweergave in kritieke situaties. Brandveiligheid is een ander aspect. Armaturen die direct op brandbare ondergronden worden geplaatst, moeten hitteoverdracht beperken conform de productnorm NEN-EN-IEC 60598.
Arbowetgeving kijkt naar de werkplek. De NEN-EN 12464-1 geeft richtlijnen voor verlichtingssterktes en verblinding, de zogenaamde UGR-waarde. Hoewel opbouwarmaturen door hun prominente positie op het bouwvlak sneller verblinding kunnen veroorzaken dan diepliggende inbouwspots, dwingt deze norm ontwerpers tot het kiezen van armaturen met de juiste optieken of afscherming. Het doel is simpel: visueel comfort garanderen zonder concessies aan de veiligheid.
De transitie van gaslicht naar elektriciteit markeert het begin. Eind negentiende eeuw. De eerste elektrische armaturen waren rudimentair. Fittingen op houten rozetten. Direct tegen de wand of het plafond geschroefd. Inbouw was destijds technisch complex en ongebruikelijk in de bestaande architectuur; de constructie bleef liever onaangeroerd. Alles was noodgedwongen opbouw.
Met de industrialisatie veranderden de eisen. Fabrieken vroegen om robuustheid. Zo ontstonden de iconische gietijzeren armaturen met dikke glazen kappen en metalen beschermkorven, de zogenaamde kooilampen. Functioneel. Zwaar. Slagvast. In de jaren '40 en '50 van de vorige eeuw zorgde de komst van de fluorescentielamp (TL) voor een verschuiving in de utiliteitsbouw. De lineaire opbouwarmaturen werden de standaard voor kantoren en werkplaatsen. Lange metalen bakken die hele plafonds domineerden. De focus lag puur op lumenopbrengst.
De jaren '70 brachten strengere regelgeving. Brandveiligheid en aarding werden cruciaal in de installatienormen. Behuizingen werden vaker van kunststof vervaardigd. Lichter en goedkoper. Pas met de opkomst van led-technologie rond de millenniumwisseling vond de laatste grote revolutie plaats. Geen omvangrijke voorschakelapparaten meer nodig. Armaturen krompen. Ze werden extreem plat. Wat ooit een noodzakelijk kwaad was bij massieve betonvloeren, veranderde in een bewust gekozen architectonisch element. De behuizing is nu vaker een designobject dan een technische noodzaak.