De realisatie van een project binnen het New Urbanism begint bij een gedetailleerd regieplan. Dit plan breekt grote bouwvolumes op in kleinere, individueel herkenbare eenheden. De korrelgrootte is cruciaal. Architecten hanteren vaak een beeldkwaliteitsplan dat specifieke esthetische eisen stelt aan de gevelgeleding en het materiaalgebruik. Hierbij wordt gestreefd naar een bewuste variatie in pandhoogtes, kapvormen en rooilijnen. Het gaat om ritme. Verspringen. Een gevelwand oogt daardoor als een verzameling losse huizen in plaats van één enkel blok.
Typische handelingen in het ontwerpproces omvatten:
In de uitvoering wordt veel aandacht besteed aan de 'schil'. Hoewel de achterliggende constructie meestal bestaat uit moderne beton- of kalkzandsteenwanden, wordt de buitenzijde met traditionele materialen afgewerkt. Verschillende typen baksteen, wisselende voegtechnieken en houten kozijnen met roedeverdelingen versterken de beoogde historische suggestie. De openbare ruimte wordt vaak ingericht met elementen die passen bij het nostalgische karakter, zoals klinkerbestrating en klassiek vormgegeven straatmeubilair. Landmarks, zoals een centraal gelegen torentje of een afwijkend vormgegeven kopgebouw, dienen als oriëntatiepunt binnen de fijnmazige structuur.
New Urbanism uit zich in Nederland grofweg op twee niveaus. De meest radicale variant is de integrale nieuwe kern. Hierbij wordt een compleet dorp of stadsdeel vanaf de tekentafel ontworpen volgens de principes van een historisch gegroeide stad. Brandevoort in Helmond geldt als het ultieme ijkpunt. Straten kronkelen. Er is een centrale markthal. Auto's staan uit het zicht. De hiërarchie tussen hoofdstraten en stegen is strikt vastgelegd in een masterplan dat jarenlang de koers bepaalt.
Daartegenover staat de 'retro-architectuur' als stilistische keuze binnen een overigens reguliere uitbreidingswijk. Hier is de stedenbouwkundige structuur vaak minder dwingend historiserend, maar wordt de sfeer bepaald door de gevels. Men spreekt in dit kader ook wel van neo-traditionalisme. Het is een esthetische schil. De kern blijft een moderne vinexwijk, maar de individuele woningen tonen kenmerken zoals overstekende goten, speklagen en luiken. Het doel is herkenbaarheid. Weg met de abstractie van het modernisme.
Niet elke retro-gevel grijpt terug op dezelfde periode. In de praktijk onderscheiden we verschillende stromingen:
Er ontstaat vaak verwarring met de term 'historisme'. Waar historisme streeft naar een wetenschappelijk verantwoorde kopie van een specifieke stijl, is retro-architectuur binnen New Urbanism vrijer. Het is een interpretatie. Soms zelfs een karikatuur. Critici gebruiken vaak de term 'pastiche' of 'Disney-architectuur' om aan te geven dat de historische elementen slechts decoratie zijn zonder constructieve noodzaak. Voor de bewoner telt echter vaak de 'belevingswaarde'. De emotie van het wonen in een huis dat aanvoelt alsof het er altijd al heeft gestaan. Het is architectuur als identiteitsdrager.
Een wandeling door de Helmondse wijk Brandevoort verwart de zintuigen. Je loopt langs grachten en onder poortgebouwen door die middeleeuws aandoen, terwijl de fundering pas twintig jaar oud is. De auto is weg. Ondergronds geparkeerd of verborgen op binnenhoven. Geen enkele gevel is identiek; de ene woning heeft een trapgevel, de buurman een lijstgevel met snijvoeg. Hier regeert de voetganger in een decor dat een organisch gegroeide stad nabootst. De bakstenen verspringen ritmisch.
In een doorsnee Vinex-uitleglocatie zie je de dertiger-jaren-revival. Tweekappers met diepe dakoverstekken. Horizontale raampartijen. Speklagen van witte steen steken scherp af tegen donkerrode handvormbaksteen. Het is pure herkenbaarheid. De nostalgie zit in de schil, want onder de keramische pannen ligt een prefab kap met een torenhoge isolatiewaarde. Roedeverdelingen in de vensters zitten vaak tussen het glas geplakt. Schoonmaakgemak ontmoet historische esthetiek.
Neem de Haverleij bij Den Bosch als extreem voorbeeld. Moderne appartementen zijn gegroepeerd in 'kastelen' midden in een golflandschap. Een burcht met een ophaalbrug maskeert de hedendaagse woonwens. De bewoner parkeert in de kelder en loopt via een besloten binnenplaats naar een woning met kamerhoge ramen. De vorm refereert aan verdedigingswerken, de functie is puur residentieel. Het is architectuur als identiteitsdrager in een verder vlak landschap.
Het Beeldkwaliteitsplan (BKP) voert de regie. Zonder dit instrument geen New Urbanism. Juridisch is dit document vaak verankerd als onderdeel van de welstandsnota of direct gekoppeld aan het omgevingsplan. Hierin staat alles vastgelegd. De exacte hellingshoek van de kap. De kleur van de voegmortel. De diepte van de neggen bij de vensters. Het is dwingende regelgeving vermomd als esthetiek. Wie afwijkt van deze voorschriften, krijgt simpelweg geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Punt.
Hoewel de gevel een zeventiende-eeuwse sfeer ademt, moet de constructie onverbiddelijk voldoen aan de eisen voor brandveiligheid en constructieve integriteit zoals vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Hier wringt de schoen vaak bij retro-ontwerpen. Historische esthetiek botst met moderne eisen voor isolatie en luchtdichtheid. Een tuitgevel moet voldoen aan de huidige RC-waarden voor de gebouwschil. Dat resulteert in complexe details waarbij dikke pakketten isolatiemateriaal achter een relatief dunne schil van baksteenstrips of handvormsteen worden weggewerkt. De wet stelt strikte BENG-indicatoren (Bijna Energieneutrale Gebouwen) vast. De vele hoekoplossingen, erkers en verspringende gevelwanden die New Urbanism typeren, vergroten het risico op koudebruggen. Architecten moeten rekenen met software om de nostalgische vorm binnen de wettelijke energiekaders te persen.
De inrichting van de openbare ruimte volgt vaak de CROW-richtlijnen, maar de grenzen worden opgezocht. Smalle straatjes ogen sfeervol. De brandweer moet er echter wel doorheen kunnen. De draaicirkel van een modern blusvoertuig bepaalt in de praktijk de breedte van het 'historische' plein. Het is een voortdurend schaakspel tussen de esthetische visie van de stedenbouwkundige en de harde veiligheidsnormen van de hulpdiensten. Parkeernormen in het omgevingsplan dwingen de auto vaak naar parkeerkelders of afgesloten binnenterreinen. Dat is geen toeval maar een direct gevolg van lokale regelgeving die een autoluw straatbeeld nastreeft.
De kiem van New Urbanism werd eind jaren zeventig gelegd in de Verenigde Staten. Het was een felle reactie op de 'suburban sprawl'. De auto domineerde de ruimtelijke ordening volledig. Architecten zoals Andrés Duany en Elizabeth Plater-Zyberk zochten een alternatief voor de zielloze uitdijingen van steden. Met het ontwerp voor Seaside in Florida boden zij in 1981 een manifest in gebouwde vorm. Geen functiescheiding. Geen eindeloze asfaltvlaktes. In plaats daarvan kwamen er beloopbare straten en veranda's. Het Charter of the New Urbanism uit 1996 formaliseerde deze principes internationaal. Het was een ideologisch tegenoffensief tegen het kille modernisme dat de mens uit de openbare ruimte had verdreven.
In de Nederlandse context landde dit gedachtegoed halverwege de jaren negentig. De Vinex-operatie was in volle gang. Men bouwde duizenden woningen, maar de kritiek op de eenvormigheid groeide. Architecten als Rob Krier en Sjoerd Soeters grepen terug op de Europese stadstraditie. Zij zagen dat mensen zich niet verbonden voelden met abstracte architectuur. Er ontstond een behoefte aan herkenbaarheid. Brandevoort in Helmond markeerde rond de eeuwwisseling het definitieve kantelpunt. Het was een radicale koerswijziging. Opeens moesten moderne bouwbedrijven weer nadenken over kruisverbanden en gedetailleerde kroonlijsten.
De technische evolutie ging hand in hand met nieuwe regelgeving. De traditionele welstandstoets volstond niet langer om de complexe beeldkwaliteit van retro-wijken te waarborgen. Hierdoor deed het Beeldkwaliteitsplan (BKP) zijn intrede. Gemeenten kregen hiermee een instrument om esthetiek tot in de kleinste details voor te schrijven. Bouwtechnisch dwong de stroming de industrie tot innovatie; de vraag naar historiserende details leidde tot de ontwikkeling van prefab gevelelementen die metselwerk imiteerden. Het vakmanschap verplaatste zich deels van de steiger naar de fabriekshal. De geschiedenis van New Urbanism is daarmee de geschiedenis van de industrialisatie van de nostalgie. Identiteit werd een stuurbaar onderdeel van de gebiedsontwikkeling.