Denkt u zich eens in: een statig gemeentehuis, ergens gebouwd tussen de wereldoorlogen. De gevel is opgetrokken uit een rijke, donkerrode baksteen, handgevormd misschien wel, en de kozijnen? Die zijn van massief hout, strak en functioneel ingedeeld. Bovenop prijkt een forse kap met keramische pannen, soms met een subtiele overstek, wat het gebouw een robuuste, bijna oer-Hollandse uitstraling geeft. Er zit geen grammetje overbodige versiering aan, de schoonheid schuilt in de materialen zelf, de verhoudingen, en het vakmanschap dat erin schuilgaat. Zo'n gebouw ademt tijdloosheid, voelt alsof het altijd al deel uitmaakte van het dorps- of stadsbeeld.
Of neem die naoorlogse kerk in een klein dorp, vaak gebouwd in de jaren vijftig. Ook hier weer die dominante baksteen, vaak in een wat lichtere tint dan de vooroorlogse voorbeelden, maar eveneens met een heldere, degelijke opbouw. Een stevige toren, een zadeldak, de ramen zijn geen grote glaswanden, eerder verticale elementen die de muurvlakken geordend doorbreken. Het interieur volgt die lijn: sober, functioneel, maar met een warme sfeer door het gebruik van natuurlijke materialen en een lichtinval die de ruimte eer aandoet. Geen bombast, geen revolutionaire vormen. Eerder een herkenbare, geruststellende esthetiek die aansluit bij een collectief geheugen van hoe een kerk eruit hoort te zien.
Zelfs in de woningbouw van die periode, vooral in uitbreidingswijken uit de jaren '30 en '40, komt u dit Traditionalisme tegen. Rijtjeshuizen met pannendaken, vaak met kleine dakkapellen, gevels van degelijk metselwerk met hier en daar een siermotief in de baksteen, of een klassiek ogende erker. De deuren en ramen zijn vaak voorzien van solide, houten kozijnen met een traditionele indeling. Het oogt vertrouwd, solide, en vooral menselijk van schaal. Het is de bouwkunst die niet schreeuwt om aandacht, maar geruisloos bijdraagt aan een harmonieus straatbeeld, precies zoals men dat toen voor ogen had: duurzaam, degelijk, en met respect voor de historie.
Een reactie, dat was het. Het Nederlandse Traditionalisme ontsproot niet zomaar uit de lucht; het was een weloverwogen tegenbeweging, een antwoord op de snelle maatschappelijke veranderingen en de opkomst van het rationalisme in de architectuur, die men destijds als ‘Nieuwe Zakelijkheid’ kende. Na de Eerste Wereldoorlog groeide de behoefte aan nationale eigenheid, aan iets herkenbaars, iets dat wortelde in de eigen bodem, tegenover de als universeel en soms zelfs kil ervaren internationale modernistische stromingen. Men zocht naar continuïteit, naar een architectuur die de ziel van het land weerspiegelde.
Die periode, tussen de twee wereldoorlogen, vormde de vruchtbare grond. Architecten en denkers zochten naar een bouwkunst die het verleden eerde, niet als nostalgie, maar als bron van duurzame principes. De architectuur moest een gemeenschapsgevoel uitdrukken, een tijdloze kwaliteit bezitten. Geen vluchtige trends; wel solide, beproefde methodes. Het was een pleidooi voor ambachtelijkheid, voor de intrinsieke schoonheid van het materiaal zelf, vaak de Hollandse baksteen. Men wilde terug naar de essentie van het bouwen, naar een menselijke schaal, met respect voor de plek en de functie, een visie die diep aansloeg.
Vooral de opkomst van de Delftse School, onder leiding van de invloedrijke M.J. Granpré Molière, gaf de stroming een diepe theoretische onderbouwing, een academische legitimatie zelfs. Zij stelden normen, definieerden architectonische principes die breder werden gedragen, resulterend in acceptatie voor overheidsopdrachten, woningbouwprojecten en zelfs in de kerkbouw. Zelfs na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog, toen de noodzaak tot snelle en efficiënte bouw groot was, bleef het Traditionalisme in bepaalde segmenten invloedrijk. De wederopbouw, met name in kleinere gemeenten en voor specifieke functies, zag veel gebouwen verrijzen die de degelijkheid en vertrouwde esthetiek van deze stroming ademden. Het internationale functionalisme mocht dan aan terrein winnen, de behoefte aan geborgenheid en herkenbaarheid bleef onverminderd, en daarmee ook de invloed van deze ‘terug naar de wortels’ beweging, tot ver in de jaren ’50 en zelfs ’60.
Joostdevree | Nl.wikipedia | Dbnl | Erfgoedbekeken | Emmeloord