Het proces start bij de homogenisering van de grondstoffen. Of dit nu op de bouwplaats gebeurt in een vrije-valmenger of via een geautomatiseerd doseersysteem bij een silo, de consistentie is bepalend voor de verwerkbaarheid. De specie belandt op het blad van de troffel. Met een gecontroleerde zwaai spreidt de metselaar de mortel uit over de reeds geplaatste laag stenen, waarbij een gelijkmatige vlijlaag ontstaat die de basis vormt voor de volgende rij. De steen wordt met gepaste druk in het mortelbed gepositioneerd. Hierbij ontstaat de horizontale lintvoeg.
Overtollig materiaal dat aan de zijkanten naar buiten treedt, wordt direct met de troffelrand afgestreken. Voor de verticale stootvoegen brengt men vaak mortel aan op de kopse kant van de te plaatsen steen voordat deze wordt aangeschoven. De mortel moet tijdens dit proces voldoende standvermogen tonen; de steen mag niet wegzakken, maar de specie moet wel plastisch genoeg blijven om volledige hechting te garanderen. Het draait om de balans tussen zuiging en cohesie.
Bij het zogenoemde doorstrijkwerk wordt de mortel direct tijdens het opstijven met een voegroller of voegspijker in de gewenste vorm gebracht. In andere gevallen volgt het uitkrabben. Hierbij wordt de mortel tot een bepaalde diepte verwijderd om ruimte te maken voor een afzonderlijke voegmortel in een later stadium. Het tempo ligt hoog. De interactie tussen de wateropname van de steen en het vochtvasthoudend vermogen van de mortel bepaalt uiteindelijk de kwaliteit van de constructieve verbinding.
Niet elke mortel is gelijk. Soms is stijfheid vereist. Soms juist souplesse. De traditionele cementmortel levert hoge druksterkte, ideaal voor funderingen en dragende muren waar de lasten zich ophopen. Maar pas op met historisch metselwerk; daar is de zachtere kalkmortel vaak de enige juiste keuze om scheurvorming in de fragiele stenen te voorkomen. De meest gebruikte variant in de hedendaagse bouw is echter de kalkcementmortel. Een hybride. Het combineert de verwerkbaarheid van kalk met de snelle sterkteontwikkeling van cement.
Voor specifieke toepassingen bestaan er mortels met extra additieven. Denk aan waterafstotende mortels voor trasramen of fundaties onder het maaiveld. Hieronder een kort overzicht van de meest voorkomende sterkteklassen volgens de NEN-EN 998-2:
| Type | Druksterkte | Toepassing |
|---|---|---|
| M5 | 5 N/mm² | Standaard metselwerk, niet-dragend |
| M10 | 10 N/mm² | Constructief metselwerk, zware belasting |
| M25 | 25 N/mm² | Hoogwaardige constructies, utiliteitsbouw |
De methode van afwerking bepaalt welk type specie op de stelling staat. Bij doorgestreken mortel, ook wel pointmasteren genoemd, is de metselmortel tevens de voeg. Eén handeling. Efficiënt. De metselaar werkt de voeg direct af zodra de mortel begint op te stijven. Dit vereist een mortel met een specifieke korrelopbouw en kleurvastheid. Daartegenover staat de mortel voor achteraf voegen. Deze wordt tijdens het metselen diep uitgekrabd. Later vult een voeger de ontstane ruimte met een aparte voegmortel.
Dunbedmortel en lijmmortel vormen een eigen categorie. Ze zijn bedoeld voor elementen met een hoge maatzuiverheid zoals kalkzandsteenblokken of bepaalde keramische stenen. De voegdikte is minimaal. Soms slechts 2 of 3 millimeter. Dit vraagt om een zeer fijne korrel. Het resultaat is een bijna monolithisch uiterlijk waarbij de steen domineert en de voeg optisch verdwijnt.
Vaak worden metselmortel en betonmortel op één hoop gegooid. Een fout. Betonmortel bevat grof toeslagmateriaal zoals grind, wat het ongeschikt maakt voor dunne voegen tussen stenen. Metselmortel is fijnmaziger. Het moet 'plakken' aan de steen, een eigenschap die bij beton minder kritisch is zolang het de bekisting maar vult.
Een metselaar staat op de steiger. In de kuip glinstert een verse lading kalkcementmortel. Met een snelle zwaai belandt een schep op de lintvoeg. Hij vlijt de steen erin. Een lichte tik met de achterkant van de troffel volstaat. De specie puilt uit en wordt direct weggekrabd. Het tempo ligt hoog; de mortel moet verwerkbaar blijven voordat de zon de boel voortijdig uitdroogt.
Onder het maaiveld wijzigt het spel. Hier wordt gekozen voor een mortel met een hogere druksterkte, vaak type M10 of hoger. Er wordt vaak trass toegevoegd. Dit maakt de verbinding minder poreus. Zo krijgt optrekkend vocht geen kans om de bovenliggende gevel te ruïneren. Een harde, grijze voeg die tegen een stootje kan.
Bij de herstelwerkzaamheden aan een historische muur is cement uit den boze. De stenen zijn oud en bros. De vakman gebruikt een traditionele kalkmortel. Deze is zachter dan de steen zelf. Werkt de muur door temperatuurwisselingen? Dan vangt de mortel de spanning op. De stenen blijven heel. Zo behoudt de gevel zijn authentieke karakter zonder te scheuren door de te grote stijfheid van moderne bindmiddelen.
Strakke lijnen. Nauwelijks zichtbare voegen. Bij een modern kantoorpand worden kalkzandsteenblokken verwerkt met een dunbedmortel. Geen dikke lagen van een centimeter. Slechts een paar millimeter mortel wordt met een lijmkam of lijmbak aangebracht. Het lijkt bijna op tegelzetten. Het resultaat is een massief blokwerk met een uiterst kleine tolerantie waarbij de steen het volledige beeld bepaalt.
Zonder de juiste papieren komt een mortel de professionele bouwplaats niet meer op. De Europese norm NEN-EN 998-2 vormt hierbij de absolute basis voor fabrieksmatig bereide metselmortels. Hierin staan de eisen voor druksterkte, hechting en duurzaamheid zwart op wit. Een CE-markering is verplicht. Geen uitzonderingen mogelijk. Deze markering koppelt direct aan de Declaration of Performance (DoP), waarin de fabrikant de specifieke prestaties van de specie formeel garandeert aan de afnemer.
In het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) staat veiligheid voorop. Constructieve veiligheid is geen vrijblijvende suggestie maar een harde eis. Voor de berekening van metselwerkconstructies is NEN-EN 1996, beter bekend als Eurocode 6, de leidraad voor constructeurs. De interactie tussen de steen en de gekozen mortel bepaalt of een muur de krachten kan dragen. Of bezwijkt onder de last. Het gaat om het systeem, niet alleen om het losse onderdeel.
Voor de Nederlandse markt is het KOMO-keurmerk op basis van BRL 1905 vaak de standaard in bestekken. Dit biedt extra zekerheid bovenop de wettelijke minimumeisen van de CPR. Het waarborgt een constante kwaliteit van de korrelopbouw en de mengverhouding per geleverde batch. Wie op de bouwplaats zelf mortel mengt, dient volgens de bepalingen uit NEN-EN 1996-2 te werken om aan de vigerende regelgeving te voldoen. Consistentie is alles. Een afwijkende mengverhouding kan de constructieve integriteit van het gehele bouwwerk direct in gevaar brengen.
Modder was de basis. De vroegste metselwerken vertrouwden op eenvoudige klei om de stenen op hun plek te houden. De Romeinen zorgden voor de eerste grote technische sprong. Door gebluste kalk te mengen met vulkanische as — puzzolaanaarde — ontstond een hydraulisch bindmiddel dat zelfs onder water uithardde. Een innovatie die constructies zoals het Pantheon mogelijk maakte en die de fundamenten legde voor de moderne beton- en morteltechnologie. Na de val van het Romeinse Rijk raakte deze specifieke kennis in West-Europa grotendeels op de achtergrond. Men keerde terug naar pure kalkmortels. Traag, flexibel, maar constructief beperkt.
De negentiende eeuw markeert de echte omslag. Portlandcement deed in 1824 zijn intrede dankzij Joseph Aspdin. Dit veranderde de dynamiek op de bouwplaats volledig. Waar kalkmortels weken nodig hadden om uit te harden door blootstelling aan de lucht, bood cement een snelle, chemische reactie met water. De druksterkte nam exponentieel toe. Gebouwen konden hoger. Muren konden dunner.
Tot diep in de twintigste eeuw bleef het mengen van mortel een ambachtelijk proces op de bouwplaats zelf. De 'speciebak' was het centrum van de activiteit. Een hoop zand, enkele zakken cement en water naar inzicht van de opperman. De kwaliteit was vaak inconsistent. De introductie van de droge mortelsilo in de jaren zeventig maakte een einde aan deze willekeur. Fabrieksmatig voorgemengde mortels zorgden voor een constante kwaliteit en exact gedefinieerde eigenschappen per batch. De metselaar werd van een mengmeester meer een verwerker van hoogwaardige, technisch geoptimaliseerde producten.