De verwerking van bladlood in de gebouwschil centreert zich rondom het creëren van een ononderbroken waterkerende barrière op kritieke overgangspunten. Bij opgaand metselwerk wordt het materiaal diep in de lintvoeg gedreven en mechanisch vastgezet. Klemmen met loodpropjes of specifieke rvs-klemmen borgt de positie. De voeg wordt vervolgens afgewerkt met mortel. Vast en onwrikbaar.
Bij hellende dakvlakken, zoals bij schoorstenen of dakkapellen, vindt de uitvoering vaak plaats in de vorm van loketten. Dit zijn trapsgewijs overlappende stroken die de helling van het dak volgen. Elke stroek overlapt de volgende aanzienlijk om capillaire opzuiging van hemelwater te verhinderen, waarbij de zwaartekracht het water effectief naar de lagergelegen dakpannen geleidt. Het metaal wordt met een loodklopper nauwkeurig over de contouren van de dakbedekking gevleid; een techniek waarbij de ductiliteit van het materiaal wordt benut om zelfs de diepste welvingen van een panprofiel te volgen zonder dat er scheuren ontstaan.
Thermische werking vormt een essentieel aspect van de uitvoering. Omdat metaal uitzet en krimpt bij temperatuurwisselingen, worden stroken lood nooit in onbeperkte lengtes aangebracht. Een maximale lengte per deel voorkomt dat spanningen leiden tot metaalmoeheid. Felsverbindingen of eenvoudige overlappen vangen deze bewegingen op. In horizontale toepassingen, zoals bij waterkerende lagen boven kozijnen, steekt het lood vaak een fractie buiten de gevel uit. Een lichte afbuiging naar beneden zorgt dat water direct van de gevel afdruipt. Effectief en doeltreffend.
De belangrijkste indeling van bladlood gebeurt op basis van het gewicht per vierkante meter. In de bouw spreekt men vaak over 'pondmaat'. Dit getal geeft direct aan hoe dik het materiaal is en waarvoor het geschikt bevonden wordt. Een lichte variant zoals 15-ponds lood (1,32 mm dikte) is uitstekend hanteerbaar voor kleine verwerkingen, terwijl voor zwaarder werk aan goten of platte daken eerder 25- of 30-ponds lood wordt voorgeschreven. Gewicht bepaalt de standzekerheid.
| Code (pondmaat) | Gewicht (kg/m²) | Dikte (ca. mm) | Typische toepassing |
|---|---|---|---|
| Code 15 | 15,3 | 1,32 | Loketten en kleine aansluitingen |
| Code 18 | 18,4 | 1,59 | Standaard spouwlood en dakbedekking |
| Code 20 | 20,4 | 1,77 | Waterkeringen bij hoge windbelasting |
| Code 25 | 25,5 | 2,24 | Bekleding van dakkapellen en goten |
Dunnere kwaliteiten laten zich makkelijker in complexe bochten drijven, maar zijn kwetsbaarder voor thermische spanningen. Zwaarder lood biedt meer weerstand tegen opwaaien door wind, wat essentieel is bij grote overspanningen zonder mechanische fixatie.
Niet elk stuk lood verlaat de fabriek op dezelfde wijze. Gewalst bladlood is de standaard voor de moderne bouw; het proces van koud walsen zorgt voor een homogene structuur en een zeer constante dikte over de gehele rol. Dit in tegenstelling tot gegoten lood, een ambachtelijker product dat nog veelvuldig wordt toegepast bij de restauratie van historische monumenten en kerken. Gegoten lood heeft een iets ruwer oppervlak en variaties in dikte die het een authentiek karakter geven, bovendien is het vaak minder gevoelig voor metaalmoeheid door de grovere kristalstructuur.
Een veelvoorkomend probleem bij vers lood is de vorming van witte vloeistrepen op het onderliggende metselwerk. Om dit te voorkomen, bestaat er gepatineerd lood. Dit materiaal is in de fabriek reeds voorzien van een oxidatielaag of een speciale coating, waardoor de natuurlijke vorming van loodcarbonaat — dat verantwoordelijk is voor de strepen — wordt overgeslagen. Er zijn ook varianten met een zelfklevende laag aan de onderzijde, wat de verwerking bij lastige windhoeken vereenvoudigt. Sommige fabrikanten leveren zelfs gekleurd lood, voorzien van een polymeerlaag, om esthetisch aan te sluiten bij de kleur van de dakpannen of de gevelsteen.
Hoewel de term 'lood' in de volksmond vaak wordt geplakt op elke grijze strook bij een schoorsteen, is er een duidelijk technisch verschil met loodvervangers. Deze alternatieven bestaan vaak uit een aluminium strekmetaal ingebed in een polymeer, zoals EPDM of bitumen. Ze missen de massa van echt lood, maar zijn lichter en bevatten geen zware metalen. Toch kan de traditionele loodklopper bij complexe verwerkingen — waar het materiaal echt moet 'vloeien' in de vorm van een pan — vaak niet om de unieke ductiliteit van het zware metaal heen. Lood blijft lood.
Een renovatieklus bij een jaren '30 woning illustreert de kracht van het materiaal. De schoorsteen lekt. Een vakman vervangt de oude, gescheurde loketten door vers bladlood van 18 pond. Hij tikt het metaal met een houten loodklopper diep in de welving van de dakpannen. Het materiaal vloeit bijna als klei. Geen kit of lijm nodig; de massa en de vormvastheid garanderen een waterdichte aansluiting. Massa geeft rust.
Stel je een strakke, wit gestuukte gevel voor met grote raampartijen. Direct boven het kozijn is een strook lood in de spouw aangebracht om binnengedrongen vocht naar buiten te geleiden. Hier is specifiek gekozen voor gepatineerd lood. Dankzij de fabrieksmatige oxidatielaag ontstaan er geen lelijke witte vloeistrepen op het smetteloze stucwerk na de eerste de beste herfststorm. Het resultaat blijft technisch functioneel én esthetisch zuiver. Effectieve bescherming zonder visuele vervuiling.
In de utiliteitsbouw zie je lood vaak bij de aansluiting van platte daken op opgaand metselwerk. Een strook van 20-pond wordt stevig in de lintvoeg geklemd met loodpropjes. De metselaar werkt de voeg daarna af met specie. Wat achterblijft is een onverwoestbare barrière die decennia meegaat, ongevoelig voor de constante geseling van UV-straling en extreme temperatuurwisselingen. Waar kunststoffen na twintig jaar bros worden, behoudt dit metaal zijn integriteit.
Tijdens de restauratie van een middeleeuwse kerktoren komt de ambachtelijke kant naar voren. Hier wordt geen standaard gewalst lood gebruikt, maar dikker, gegoten lood. De onregelmatige structuur van de gegoten platen vangt de grillige vormen van het eeuwenoude eikenhouten dakbeschot op. Het lood wordt over de randen gefelsd; een techniek waarbij de platen in elkaar worden gevouwen om een waterdichte naad te vormen zonder te solderen. Vakmanschap in optima forma.
Lood gaat ver terug. De Romeinen waren er al dol op. Ze gebruikten het voor waterleidingen, daken en zelfs als ingrediënt in wijn, al bleek dat laatste technisch minder succesvol. De term 'loodgieter' voert direct terug naar deze vroege geschiedenis. Het gieten van vloeibaar metaal in zandbedden was de standaard. Zwaar, fysiek werk. Dit metaal was toen al gewild vanwege de extreme corrosiebestendigheid en de eenvoudige bewerkbaarheid bij lage temperaturen.
In de middeleeuwen domineerde lood de daken van grote kathedralen en publieke gebouwen. Enorme gewichten drukten op de houten kapconstructies. Men produceerde deze platen ter plaatse. Een grote tafel met zand fungeerde als mal waarin het vloeibare lood werd uitgegoten en met houten spanen vlak werd gestreken. Dit resulteerde in dikke, onregelmatige platen die eeuwen trotseerden. Pas met de opkomst van industriële walserijen in de negentiende eeuw veranderde de standaard drastisch. Het proces werd beheersbaar. Dunner bladlood werd de norm. De transitie van deze massieve, gegoten platen naar het gestandaardiseerde 'pondmaat-lood' maakte grootschalige toepassing bij burgerwoningen mogelijk. Loketten bij schoorstenen en waterkeringen boven kozijnen werden hiermee de standaard in de Nederlandse baksteenarchitectuur. Een evolutie van puur utilitair monumentaal materiaal naar een verfijnd bouwkundig detail voor de massa.
Joostdevree | Nl.wikipedia | Encyclo | Berkela.home.xs4all | Wikikids | Kennis.cultureelerfgoed | Nl.wikisage | Joslaan | Brouwerszink | Support.tlnplanner | Loodgietersbedrijfvandijk | Hagenleeuwis | Ad-dakservice