Waar we spreken van lichttransmissie, doelen we in de bouw doorgaans op de overdracht van zichtbaar licht – die bandbreedte van elektromagnetische straling die het menselijk oog kan waarnemen. Dat is de LTA, of τv zoals soms afgekort. Echter, licht is een breed begrip; het spectrum omvat veel meer dan alleen het zichtbare deel. Zo kennen we ook:
Deze spectrale onderscheiden zijn fundamenteel voor de prestaties van bouwmaterialen in relatie tot energiezuinigheid en comfort. Een materiaal kan perfect licht doorlaten voor zicht, maar tegelijkertijd een complete barrière vormen voor warmte.
Niet alle doorgelaten licht komt op dezelfde manier binnen. Er is een significant verschil tussen directe en diffuse transmissie. Directe transmissie laat het licht ongehinderd en in een rechte lijn door, wat vaak resulteert in heldere schaduwen en een directe lichtinval. Diffuse transmissie daarentegen, zoals bij melkglas of sommige lichtdoorlatende panelen, verstrooit het licht. Denk aan die ‘haze-factor’ die de omschrijving al kort aanraakte: licht wordt alle kanten op gestuurd, verspreid over een groter oppervlak. Dit zorgt voor een zachtere, meer egale verlichting zonder harde schaduwen, wat bijzonder gewaardeerd wordt in bijvoorbeeld ateliers of kantoorruimtes om schittering te minimaliseren.
Hoewel nauw verwant, is lichttransmissie niet hetzelfde als de totale energiebalans of de zonnetoetredingsfactor (g-waarde). De g-waarde, of ZTA, is een breed begrip dat de totale doorlaatbaarheid van zonne-energie omvat, inclusief direct doorgelaten straling én secundaire warmteafgifte van het glas, die ontstaat door absorptie van zonne-energie en vervolgens naar binnen wordt uitgestraald. Lichttransmissie richt zich specifiek op het zichtbare licht, terwijl de g-waarde de som is van alle zonne-energie die een ruimte binnenkomt. En dan is er natuurlijk de triadische relatie tussen transmissie, reflectie en absorptie: de som hiervan voor een gegeven materiaal en golflengte is altijd 100%. Wie de ene beïnvloedt, beïnvloedt de andere twee onherroepelijk.
De theorie rond lichttransmissie, essentieel voor comfort en energieprestatie, manifesteert zich in de bouw op diverse manieren. Het zijn vaak de subtiele verschillen die bepalen hoe een ruimte functioneert en aanvoelt.
De prestaties van bouwmaterialen ten aanzien van lichttransmissie vallen binnen diverse wettelijke en normatieve kaders. Zoals reeds kort aangestipt, bestaat de specifieke norm NEN 2675, welke gedetailleerde eisen en methoden omvat voor de bepaling van glastransmissie in de tuinbouw. Deze norm zorgt ervoor dat de lichtdoorlatendheid van kasdekmaterialen uniform en betrouwbaar kan worden vastgesteld, cruciaal voor optimale gewasgroei.
Bredere bouwregelgeving, zoals die voortvloeit uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL), stelt indirect ook eisen aan lichttransmissie. Hoewel lichttransmissie (LTA of τv) niet direct als een prestatie-eis wordt benoemd, zijn gerelateerde parameters wel van essentieel belang. De g-waarde (zonnetoetredingsfactor), die de totale doorlaatbaarheid van zonne-energie representeert en dus ook deels de infraroodtransmissie omvat, is een cruciale factor bij het bepalen van de energieprestatie van een gebouw.
Voldoen aan de BENG-eisen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen), nu onderdeel van de BBL, vereist een zorgvuldige afweging van daglichttoetreding en warmtebeheersing. Een optimale lichttransmissie draagt bij aan een lager energieverbruik voor kunstverlichting, terwijl een beheerste g-waarde helpt oververhitting in de zomer en onnodig warmteverlies in de winter te voorkomen. Dit samenspel van factoren onderstreept de noodzaak om lichttransmissie – in al haar verschijningsvormen – integraal te benaderen binnen het bouwproces om aan de wettelijke prestatie-eisen te voldoen.
Het concept van lichttransmissie, licht dat door een materiaal beweegt, is in de bouw zo oud als het gebruik van transparante of semi-transparante materialen zelf. Denk aan de vroege vensters van dierenvellen, ingeolied papier of dun geschaafd hoorn; hun primaire functie was simpelweg daglicht binnenlaten, de elementen buiten houden. Er was toen geen sprake van meting, laat staan van optimalisatie. De introductie van glas, eerst in ruwe vormen door de Romeinen en later met verbeterde technieken door de eeuwen heen, markeerde een belangrijke stap. Het ging puur om de functionele doorlaatbaarheid.
Een ware technische evolutie, gericht op het beheersen en kwantificeren van lichttransmissie, zette pas echt in de 20e eeuw door. De naoorlogse periode zag een groeiende vraag naar comfort en energie-efficiëntie in gebouwen. Architecten en bouwers wilden niet alleen licht, maar ook de warmteafgifte en het binnenklimaat sturen. Dit leidde tot de ontwikkeling van isolerende beglazing, beginnend met dubbelglas. Daarmee ontstond de noodzaak om de specifieke prestaties van materialen, inclusief de zichtbare lichtdoorlaatbaarheid (LTA) en de overdracht van infrarode straling, nauwkeurig te kunnen meten en vergelijken.
De opkomst van coatings – aanvankelijk om warmteverlies te beperken (lage-emissiviteit coatings) en later om zonnewarmte te weren (zonwerende coatings) – transformeerde de benadering van lichttransmissie compleet. Het ging niet langer alleen om hoeveel zichtbaar licht erdoorheen kwam, maar ook welk deel van het elektromagnetisch spectrum werd doorgelaten of tegengehouden. Dit is bepalend voor de energiebalans van een gebouw. Standaardisatie, met methoden voor het meten van de spectrale eigenschappen, werd essentieel om de prestaties van deze nieuwe materialen te kunnen garanderen en vergelijken. Het heeft de weg geplaveid voor de complexe, multifunctionele beglazing die we vandaag de dag kennen, waarbij lichttransmissie een kritische, maar beheersbare parameter is binnen de totale bouwfysica.
Joostdevree | Nl.wikipedia | Solarmagazine | Vmrg | Guardianglass | Flamro | Departementwvg | Onderglas | Dlvge