Het vervaardigen van een koolbladornament begint bij de volumetrische indeling van het steenblok. De steenhouwer zet eerst de hoofdvormen van het kapiteel of de kraagsteen uit. Daarna volgt het dieptewerk. Met een focus op de karakteristieke krullende randen wordt de natuursteen stapsgewijs uitgehold. Dit proces vereist een zorgvuldige balans tussen de structurele integriteit van de steen en de gewenste fragiliteit van het bladmotief. De diepe groeven en ondersnijdingen ontstaan door materiaal weg te nemen achter de krullende bladpunten. Zo ontstaat de suggestie van loshangend loof. In de eindfase krijgt het oppervlak een fijne afwerking die het licht op specifieke wijze breekt. De overgang tussen de verschillende bladeren wordt vloeiend vormgegeven, waarbij de nerven vaak als strakke lijnen in de holtes zijn aangebracht.
Verwarring ontstaat soms met de klassieke acanthus. Hoewel beide florale motieven zijn, is het koolblad minder rigide en strak. De acanthus volgt de Griekse en Romeinse wetmatigheden van de klassieke orden, terwijl het koolblad de grilligheid van de noordelijke natuur viert. In de late gotiek evolueert de vorm bovendien naar een zogenaamde 'droge' variant, waarbij de bladranden scherper, dunner en bijna papierachtig worden uitgehouwen, wat een fragieler uiterlijk geeft aan de zware natuursteen.
In de Sint-Jan zie je het overal. Kijk omhoog naar de kapitelen van de kolommen. De bladeren lijken bijna los te komen van de schacht. Een spel van diepe schaduw. Je ziet waar de boerenkoolbladeren de hoek om krullen. Het is robuust natuursteen, maar het oogt lichtvoetig door die diepe uithollingen. Vakmanschap uit de Brabantse gotiek.
Loop buiten langs de steunberen. Daar staan de pinakels. De schuine zijden zijn bezet met hogels. Kleine, gestileerde koolbladeren. Ze steken uit als knoppen die net niet uitkomen. Ze breken de strakke lijn van de stenen spits. Functioneel? Jazeker. In de regen zie je hoe het water van de stenen punten afdruipt, weg van het kwetsbare muurwerk. Slim bedacht door de middeleeuwse bouwmeesters.
Een kraagsteen onder een heiligenbeeld. De figuur staat op een sokkel van versteende groente. Soms zie je slechts één enkele krulkool die de hoek omgaat. Compact en krachtig uitgehouwen. Het lijkt de zwaartekracht te tarten. De steenhouwer heeft hier geen hele struik nagemaakt, maar de essentie van de krullende bladrand gevangen in een enkel blokje kalksteen.
Voor de feitelijke uitvoering gelden de kwaliteitsnormen van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM). Specifiek de URL 4007 voor natuursteenhouwwerk is hier de bijbel voor de vakman. Hierin staat kraakhelder hoe men omgaat met vervanging, consolidatie of het bijwerken van kalksteen en zandsteen. Het gaat om authenticiteit. Kopiëren mag niet zomaar. De materiaalkeuze moet exact aansluiten bij het origineel om elektrochemische reacties tussen verschillende steensoorten te voorkomen. Regels die de geschiedenis beschermen.
De opkomst van het koolbladornament markeert een radicale breuk met de klassieke traditie die de Europese architectuur eeuwenlang domineerde. Waar de romaanse bouwkunst nog zwaar leunde op de gestileerde acanthusbladeren uit de Griekse en Romeinse oudheid, zochten gotische steenhouwers in de dertiende eeuw naar een vormentaal die dichter bij hun eigen leefomgeving lag. De boerenkool was in die tijd een alomtegenwoordig volksvoedsel in de Lage Landen en Noord-Frankrijk. Het was een logische keuze voor een nieuwe, naturalistische decoratiestijl. De stijve, formele lijnen van de klassieke orden maakten plaats voor de grillige, organische structuren van de inheemse flora.
Deze verschuiving was niet alleen esthetisch. Het was een technisch statement. Steenhouwers wilden laten zien dat zij de harde natuursteen konden dwingen in de meest fragiele, krullende vormen. In de vroege gotiek bleven de bladeren nog dicht tegen de kern van de kapiteel aanliggen. Men spreekt hier vaak van knopkapitelen. Gaandeweg de veertiende eeuw ontwikkelde de techniek zich verder; de bladranden kwamen fysiek los van de achtergrond. De diepe ondersnijdingen die we nu zo typerend vinden voor de Brabantse gotiek, waren het resultaat van generaties die experimenteerden met de structurele grenzen van kalksteen.
Tijdens de vijftiende eeuw bereikte het koolbladornament zijn absolute technisch hoogtepunt, specifiek binnen de Brabantse gotiek. Architecten in steden als Antwerpen, Mechelen en 's-Hertogenbosch verhieven het ornament tot een handelsmerk. Het was een exportproduct. De vormen werden in deze periode complexer en 'droger'. De bladeren leken bijna van perkament. Na de middeleeuwen raakte het motief in de vergetelheid door de opkomst van de renaissance, die weer teruggreep op de strikte klassieke acanthus.
Pas in de negentiende eeuw, tijdens de neogotiek, keerde de krulkool terug in de bouwloodsen. Architecten zoals Pierre Cuypers bestudeerden de middeleeuwse originelen tot in detail. Zij zagen de koolbladornamentiek als het summum van eerlijk vakmanschap. Toch is er een verschil. Neogotische koolbladeren zijn vaak strakker en minder grillig dan hun middeleeuwse voorgangers. De industriële revolutie bracht ook nieuwe gereedschappen mee, waardoor de detaillering weliswaar preciezer werd, maar soms de bezieling van de middeleeuwse hand verloor. In moderne restauraties vormt deze gelaagdheid een uitdaging: herstel je naar het middeleeuwse origineel of respecteer je de negentiende-eeuwse interpretatie?
Joostdevree | Encyclo | Dbnl | Inventaris.onroerenderfgoed | Heemschut