Het ontsluiten van de passage begint bij de fysieke kracht van de bediende. Massieve vleugels wijken traag. Eerst wijkt de sluitboom of de centrale grendel. Meestal zwenken de deuren naar de binnenzijde van het pand, een noodzaak om het trottoir of de openbare weg niet te blokkeren voor passanten. Tijdens de eigenlijke inrit fungeert de onderbouw van de poortopening als passieve geleiding. Schampstenen doen hier het zware werk. Deze robuuste natuurstenen elementen, gepositioneerd aan de voet van de poortposten, vangen de impact van ijzeren wielnaven op en dwingen de koets subtiel naar het midden van de doorgang.
Het voorkomt direct contact tussen de as en het kwetsbare metselwerk. Vaak blijft een van de vleugels verankerd in de stenen dorpel met een zware kantschuif, terwijl de andere zijde dienstdoet als reguliere toegang voor voetgangers. Pas bij een volledige passage ontsluit men het gehele profiel. De koetsier stuurt op zicht en op het geluid van de hoeven op de kasseien. Eenmaal geopend borgen ijzeren haken de deuren tegen de windvlaag die door de tunnelvormige ruimte kan trekken. De doorgang zelf eindigt meestal op een verharde binnenplaats waar de draaicirkel van het voertuig de verdere inrichting van de ruimte dicteert.
Tegenover de inpandige variant staat de vrijstaande koetspoort in een tuinmuur of erfafscheiding. Dit ziet men vaker bij buitenplaatsen en grote boerderijcomplexen. Hier is de poort geen onderdeel van de hoofdmassa van het huis, maar een zelfstandig architectonisch element dat toegang geeft tot de cour. Soms is deze poort geïntegreerd in een specifiek poortgebouw, waarbij de bovenliggende ruimte diende als opslag of woonverblijf voor het personeel. Het verschil zit in de fundering en de belasting; een inpandige poort moet de druk van de gehele gevel opvangen, terwijl een poort in een muur enkel zichzelf staande houdt.
Qua constructie van de bovenzijde onderscheiden we:
Hoewel de term vaak geassocieerd wordt met luxe rijtuigen, bestond er een functioneel onderscheid met de 'inrijpoort' voor werkverkeer op boerderijen. Die laatste was dikwijls eenvoudiger van uitvoering, zonder rijke ornamentiek, maar wel breder om volgeladen hooiwagens door te laten. De koetspoort bij een herenhuis was vaker een visitekaartje, uitgevoerd in rijke stijlen zoals de Lodewijk-stijlen of het neoclassicisme.
Een statig grachtenpand aan de Herengracht. De massieve eikenhouten vleugels staan op een kier. Je ziet de diepe krassen op de schampstenen; decennia aan ijzeren wielbeslag hebben hun sporen nagelaten in het hardsteen. Hier binnenrijden vereiste precisie. Een koetsier die te krap instuurde, riskeerde niet alleen zijn lakwerk maar ook de integriteit van de poortposten. Boven de poort prijkt een snijraam in Lodewijk XIV-stijl. Het laat spaarzaam licht vallen op de kasseien van de overdekte passage.
Kasseien hobbelen onder de wielen. De koetspoort vormt hier de enige toegang tot de besloten binnenplaats. Geen luxe versieringen hier. Puur functioneel grenenhout, dik in de verf. Het klinket piept bij het openen. Terwijl de hoofdmassa van de oogst door de grote schuurdeuren gaat, blijft deze specifieke poort gereserveerd voor de chais of de jachtwagen van de herenboer. De segmentboog van lokaal gebakken veldbrandsteen vertoont lichte zetting. Een teken van de enorme druk die de bovenliggende graanzolder uitoefent.
Transformatie naar een winkelruimte. De koetspoort fungeert nu als etalage. Achter de historische houten deuren, die overdag permanent openstaan en verankerd zijn tegen de binnenmuren, is een strakke glazen pui geplaatst. De ruimte erachter ademt nog de sfeer van de remise. Het contrast is groot. De ruwe bakstenen wanden van de doorgang herinneren aan het stampen van paardenhoeven, terwijl nu de geur van vers gebrande koffie de passage vult. De drempelvrije overgang is gerealiseerd door de oorspronkelijke kasseien te herleggen in een bed van gestabiliseerd zand.
De Erfgoedwet werpt een beschermende schaduw over de meeste koetspoorten. Omdat deze elementen vaak integraal deel uitmaken van een rijks- of gemeentelijk monument, is elke fysieke wijziging strikt gebonden aan een omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten. Restauratie vereist specialistische kennis. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) wordt cruciaal wanneer de functie van de passage wijzigt, bijvoorbeeld bij transformatie naar een commerciële ruimte of woningingang. Branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen de poortruimte en omliggende functies vragen dan om aandacht. Soms wringt het. De historische breedte voldoet niet altijd aan de moderne eisen voor een vluchtweg.
Daarnaast speelt de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) een rol bij de draairichting van de poortvleugels. Een poort die bij opening over de rooilijn de stoep blokkeert, stuit vaak op bezwaren vanuit de gemeente wegens obstructie van de openbare weg. Constructieve ingrepen aan de latei of de overspanning moeten bovendien getoetst worden aan de vigerende Eurocodes voor bouwconstructies, waarbij de stabiliteit van de bovenliggende gevel gegarandeerd blijft. Het handhaven van het historische karakter bij dergelijke ingrepen is een balanceeract tussen behoud en veiligheid.