Het proces start bij de voorbereiding van de bestaande muur. De ondergrond wordt gereinigd om een goede hechting van de mortel te garanderen, waarbij losse delen of oude pleisterlagen vaak worden verwijderd. De metselaar brengt de stenen vervolgens aan op hun smalle zijde, ook wel de strekant genoemd. Dit gebeurt direct tegen het bestaande vlak. De stenen worden in een mortelbed geplaatst en de ruimte tussen de nieuwe laag en de oude wand wordt doorgaans volledig gevuld met specie.
De stabiliteit ontstaat door het verband. Hoewel de laag dun is, wordt er meestal in een halfsteensverband gemetseld om de verticale krachten goed te verdelen en te voorkomen dat de wand gaat wijken. In specifieke gevallen, vooral bij grotere oppervlakken, vindt verankering aan de achterliggende constructie plaats via mechanische verbindingen of door de mortelhechting over het gehele contactoppervlak. De focus ligt hierbij op een vlak resultaat dat nauw aansluit op de contouren van de originele muur. Het metselwerk volgt de lijn van de bestaande constructie nauwgezet. Het resultaat is een massieve uitbreiding van de wanddikte zonder noemenswaardig ruimteverlies in de betreffende ruimte.
Kelders in oude stadspanden vormen het klassieke decor voor een klamplaag. De oorspronkelijke funderingsmuur vertoont vaak diepe gaten of is door de jaren heen flink verzakt. Hierdoor hecht waterdicht stucwerk simpelweg niet. De metselaar bouwt dan een nieuwe schil van hardgebakken klinkers. De stenen staan op hun smalle zijde. Ze volgen de contouren van het oude werk nauwgezet. De ruimte tussen oud en nieuw verdwijnt volledig onder een laag vullende mortel. Geen holle ruimtes. Geen plekken waar vocht zich ophoopt.
Soms is het puur een kwestie van gewicht. Een dunne tussenmuur in een herenhuis laat elk gesprek van de buren door. Massa is dan de enige remedie. Een klamplaag van kalkzandsteenblokken verhoogt het gewicht van de totale wandconstructie aanzienlijk. De kamer wordt slechts een paar centimeter kleiner, maar de akoestische winst is groot. De blokken worden direct tegen de bestaande wand gelijmd of gemetseld.
De vakman werkt meestal nat-in-nat. De hechting aan de achtergrond bepaalt het succes. Zonder die massieve verbinding blijft het een wankel muurtje. Met de specie ertussen wordt het één geheel. Een robuuste oplossing voor een fragiel probleem.
Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) vormt de wettelijke basis voor elke ingreep in de gebouwschil of binnenwanden. Geen uitzonderingen. Een klamplaag moet voldoen aan de fundamentele eisen voor constructieve veiligheid. NEN-EN 1996, beter bekend als Eurocode 6, biedt de technische richtlijnen voor het ontwerp en de berekening van metselwerkconstructies. Hoewel een klamplaag vaak als niet-dragend wordt beschouwd, stelt de norm eisen aan de stabiliteit en de verbinding met de achterliggende structuur. Onvoldoende hechting leidt tot gevaarlijke situaties. De wetgever eist dat een wand niet zomaar bezwijkt onder eigen gewicht of lichte zijdelingse belasting.
Brandwerendheid. Vaak de hoofdreden voor een extra schil. Het BBL stelt strikte eisen aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen verschillende brandcompartimenten. Een klamplaag van hardgebakken steen of kalkzandsteen verhoogt de brandwerendheid van een bestaande wand aanzienlijk. Hierbij gelden de beproevingsmethoden conform NEN 6068. De dikte van de klamplaag en de kwaliteit van de mortelvoeg bepalen of de beoogde dertig, zestig of zelfs honderdtwintig minuten brandvertraging daadwerkelijk wordt gehaald.
Werken met steenachtig materiaal brengt risico's met zich mee. De Arbowet is onverbiddelijk over kwartshoudend stof. Bij het op maat zagen of slijpen van stenen voor de klamplaag is bronafzuiging of nat zagen verplicht om de grenswaarden voor inadembaar stof niet te overschrijden. Fysieke belasting. Het metselen van klamplagen gebeurt vaak in krappe kelders of op kniehoogte. De sectorale arbocatalogus voor de bouwsector schrijft voor dat ergonomische hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden ingezet om beroepsziekten te voorkomen. Restmateriaal en specieafval vallen onder de regels voor bouw- en sloopafval. Scheiden aan de bron blijft het uitgangspunt voor een verantwoorde uitvoering op de bouwplaats.
De klamplaag vindt zijn oorsprong in de pragmatiek van de negentiende-eeuwse utiliteitsbouw en woningbouw in de snel groeiende steden. Baksteen was de standaard. Ruimte was schaars. Kelders in grachtenpanden kampten met constante vochtinfiltratie door hoge grondwaterstanden en de poreuze aard van de toenmalige metselstenen. Men zocht een methode om deze ruimtes bruikbaar te houden zonder de fundering volledig te moeten vervangen. De oplossing was simpel: een extra schil van hardgebakken klinkers, direct tegen het bestaande werk aan.
Technisch gezien verschoof de focus in de loop van de twintigste eeuw. Waar de klamplaag eerst puur diende als vochtscherm in kelders, werd het later een instrument voor constructieve versterking en brandpreventie. De introductie van kalkzandsteen in de jaren '60 veranderde de snelheid van verwerking drastisch. Grotere formaten. Strakkere afwerking. De ambachtelijke bakstenen laag maakte plaats voor een meer gestandaardiseerde aanpak in de utiliteitsbouw, gedreven door strengere regelgeving rondom brandcompartimentering en geluidsisolatie tussen woningen. De techniek overleefde de modernisering omdat de behoefte aan massa in een beperkt volume bleef bestaan; een logisch gevolg van de overgang van handvormsteen naar massaproductie van kalkzandsteenblokken. De methode is door de decennia heen nauwelijks veranderd, maar de materialen zijn geëvolueerd van puur keramisch naar een breed scala aan steenachtige blokken die specifiek voor deze 'parasitaire' toepassing zijn geoptimaliseerd.