De realisatie van kistwerk vangt aan met het stapsgewijs optrekken van twee parallelle schillen die fungeren als een permanente bekisting. Deze wanden worden tot een beperkte hoogte opgebouwd. Niet te hoog in één keer. De druk van de vulling mag de stabiliteit van het nog verse metselwerk namelijk niet in gevaar brengen. In de ontstane holte stort men een composiet van breuksteen, puin of grind, dikwijls overgoten met een vloeibare kalk- of cementmortel die de tussenruimtes infiltreert. Soms gebeurt dit droog. Vaker is er sprake van een verzadigde mengvorm.
Om de mechanische eenheid tussen de twee buitenwanden te waarborgen, worden op strategische hoogtes dwarsverbindingen aangebracht die de kern volledig doorkruisen. Deze verankering voorkomt dat de zijdelingse druk de buitenbladen naar buiten drukt tijdens het verdichten of uitharden van de vulling. Zodra een laag voldoende is gezet, herhaalt de cyclus zich en groeien de schillen verder omhoog. Het resultaat is een massieve wandopbouw. De uiteindelijke sterkte wordt bepaald door de mate waarin de mortel de kern en de schillen tot een monolithisch blok smeedt. Dit vereist een nauwkeurige afstemming van de vochtigheidsgraad en de laagdikte.
Kistwerk kent verschillende gedaantes die sterk afhangen van de beschikbare grondstoffen. De bekendste historische variant is het Romeinse opus caementicium. Hierbij vormden strakgehouwen natuursteen of baksteen de buitenzijde, terwijl de kern bestond uit mortel gemengd met caementa: grove brokken steen of puin. In de middeleeuwse kerkenbouw ziet men vaak een variant die simpelweg als 'opvulwerk' of 'gietwerk' wordt aangeduid. De schillen zijn hierbij dikwijls opgetrokken uit tufsteen of baksteen, waarbij de ruimte ertussen werd volgestort met restmateriaal en vloeibare kalkmortel. Het resultaat? Een massieve wand. Goedkoop in materiaalgebruik, maar arbeidsintensief in opbouw.
Een hardnekkig misverstand is de vergelijking met de spouwmuur. Dat klopt niet. Een spouwmuur is ontworpen om vochtdoorslag te voorkomen door een luchtlaag te creëren tussen het binnen- en buitenblad. Kistwerk is juist het tegenovergestelde. De kern is volledig gevuld. Er is geen ventilatie. Waar een spouwmuur twee losse bladen heeft die met ankers verbonden zijn, streeft kistwerk naar een monolithisch blok. De vulling fungeert als constructieve massa. Het draagt mee.
In de hedendaagse bouw heeft kistwerk een technologische draai gekregen. We spreken nu vaak over verloren bekisting of blijvende bekisting. EPS-bekistingssystemen zijn hier een goed voorbeeld van. De blokken van geëxpandeerd polystyreen worden als een soort legostenen opgestapeld. Daarna volgt de betonstort. De 'kist' blijft zitten en dient direct als thermische isolatie. Het principe blijft hetzelfde als bij de oude Romeinen: twee wanden die een vorm bepalen voor een vloeibare kern. De functie is echter verschoven van pure massa naar een combinatie van isolatie en draagkracht.
Hoewel de termen in de volksmond door elkaar lopen, is er een technisch onderscheid tussen reguliere bekisting en kistwerk. Bekisting bij betonbouw is meestal tijdelijk. De houten of stalen panelen worden na uitharding verwijderd. Bij kistwerk maken de wanden inherent deel uit van de uiteindelijke constructie. Ze vormen de huid van het gebouw. Soms zie je dit nog bij zware utiliteitsbouw of in de restauratiesector waar men oude muren 'opstort' om de stabiliteit te herstellen zonder het historische gevelbeeld aan te tasten.
Dikke kasteelmuren van drie meter dik. Het lijkt massief natuursteen, maar achter die dunne schil zit vaak een hart van puin en kalkmortel. Dat is historisch kistwerk in zijn meest pure vorm. De buitenwanden hielden de vloeibare brij op zijn plek tot de kalk was uitgehard. Soms zie je in oude ruïnes nog de gaten van de ankers of de 'doorbanders' die de boel bij elkaar hielden om uitbuiken te voorkomen.
Tegenwoordig gaat het vaker om snelheid en isolatie. EPS-blokken op de bouwplaats. Lichtgewicht elementen die de aannemer simpelweg op elkaar stapelt als legostenen. Geen demontage van bekisting meer na de stort. Het beton gaat erin, de isolatie blijft zitten. Stapelen, wapening aanbrengen, storten. Klaar. De 'kist' is hier geen tijdelijk hulpmiddel, maar een essentieel onderdeel van de thermische schil.
Ook bij het herstel van monumentale kademuren zie je het principe terug. Men plaatst een nieuwe stalen of betonnen wand voor de oude, verzakte muur. De tussenruimte fungeert als de holte die wordt volgegoten met een vloeibare mortel of betonmix. De nieuwe wand fungeert als kist en blijft permanent aanwezig om de stabiliteit van de historische constructie te waarborgen. Massa die werkt zonder het gevelbeeld te verstoren.
Romeins vernuft legde de basis. Met opus caementicium veranderden de Romeinen de architectuur voorgoed door vloeibare kernen te combineren met harde buitenschillen. Massa was macht. Geen massieve blokken natuursteen over de volle breedte, maar een vulling van puin en kalkmortel. Besparing op materiaal zonder verlies van stabiliteit. In de middeleeuwse bouwpraktijk bleef dit principe dominant voor verdedigingswerken en kerken. Het was pure noodzaak. Kostbare natuursteen bleef beperkt tot de zichtzijde. De kern? Een verzameling van alles wat voorhanden was: rivierkeien, baksteenfragmenten en kalk.
Technisch gezien verschoof de focus door de eeuwen heen van eenvoudige stapelbouw naar chemische binding. De ontdekking van hydraulische kalk veranderde de spelregels. Muren droogden sneller. Ze werden sterker. In de negentiende eeuw zorgde de opkomst van Portlandcement voor een definitieve breuk met de traditie. Kistwerk transformeerde van een ambachtelijke methode voor dikke muren naar de moderne systeembouw. De houten bekisting werd vaker verwijderd, tenzij de schil een functie behield. Vandaag zien we de cirkel rond met EPS-bekisting; de bekisting is weer permanent, de kern weer gegoten. Een eeuwenoud principe in een synthetisch jasje.