De vorming van de kantelaaf start bij het positioneren van het kozijn binnen de spouwconstructie. Maatvoering is hierbij leidend. Tijdens het optrekken van het buitenspouwblad bepaalt de metselaar de exacte diepte van de negge door de stenen ten opzichte van het kozijnvlak terug te leggen of juist naar voren te halen. Het kozijn wordt meestal tegen een spouwlat gemonteerd. Deze lat dient als aanslag. Een kritiek moment in de uitvoering is het aanbrengen van de waterkerende lagen, zoals DPC-folie of loodvervangers, die vanuit het binnenspouwblad over de spouwlat richting de kantelaaf worden geleid om indringend vocht naar buiten af te voeren.
Bij het metselen rondom de openingen wordt vaak gebruikgemaakt van stelprofielen. Deze profielen waarborgen de verticaliteit van de dagzijden. De stenen in de kantelaaf worden doorgaans met de koppen of strekken naar de opening gericht, waarbij de voegafwerking exact gelijk moet lopen met het overige gevelwerk voor een uniform beeld. In situaties met schuine kantelaven komt er specialistisch hak- of zaagwerk aan te pas. Elke steen wordt dan onder een specifieke hoek bewerkt. Het is precisiewerk. Na het voegen blijft de overgang tussen het metselwerk en het kozijnprofiel over, die later wordt afgedicht met rugvulling en kit of een compriband om de luchtdichtheid te garanderen. Een strakke aansluiting voorkomt dat de isolatiewaarde van de spouw verloren gaat bij de gevelopening.
Een meer decoratieve variant is de getrapte kantelaaf. Hierbij verspringt het metselwerk in stapjes naar het kozijn toe. Het geeft de gevel een diepere schaduwwerking. Je ziet dit vaak terug in de Amsterdamse School of bij hedendaagse ontwerpen die spelen met textuur. Soms wordt de kantelaaf niet uitgevoerd in baksteen, maar afgewerkt met een ander materiaal. Denk aan prefab betonelementen, natuursteen of zelfs metalen kaders die als een kraag rondom de muuropening liggen. De materiaalkeuze bepaalt hierbij of de overgang tussen gevel en glas subtiel blijft of juist een hard contrast vormt.
Soms spreekt men ook van de dagkant. Dit is een meer algemene term voor de binnen- of buitenzijde van een muuropening. In technisch bestek wordt de kantelaaf specifiek gereserveerd voor het uitwendige deel van de constructie. Bij renovatieprojecten waarbij gevelisolatie aan de buitenzijde wordt aangebracht, verandert de diepte van de kantelaaf vaak drastisch. Dit resulteert in een diepe negge, waardoor ramen soms als 'schietgaten' in de gevel lijken te liggen. Een zorgvuldige detaillering van de kantelaaf is dan nodig om het visuele gewicht van de gevel weer in balans te brengen.
Een massief herenhuis uit de negentiende eeuw. Dikke muren. De schuine kantelaaf is hier geen decoratie, maar een lichtmachine. Door de dagkanten schuin weg te hakken, valt de zon veel verder de diepe voorkamer in. Zonder deze ingreep bleef het interieur somber en donker. Een functionele oplossing verpakt in metselwerk.
Kijk naar een modern appartementencomplex met een getrapte kantelaaf. De metselaar laat de stenen bij elke laag een paar centimeter inspringen naar het kozijn toe. Harde schaduwlijnen. De gevel krijgt hierdoor een plastisch uiterlijk dat gedurende de dag verandert met de stand van de zon. Het oogt massief en ambachtelijk. De diepte van de kantelaaf bepaalt hier volledig het gezicht van het gebouw.
Tijdens een grootschalige renovatie waarbij de buitengevel wordt na-geïsoleerd, verandert de kantelaaf radicaal. Het kozijn blijft op zijn plek, maar de muur dikt flink aan door isolatieplaten. De kantelaaf wordt een diepe tunnel. Hier wordt vaak gekozen voor een afwerking met zetwerk of glad stucwerk om het zogeheten schietgat-effect te verzachten. De detaillering luistert nauw; de overgang van de nieuwe kantelaaf naar het bestaande kozijn moet luchtdicht zijn om condensatieproblemen te voorkomen.
Massieve muren dicteerden vroeger de vorm. Een gat in een meter dikke vestingmuur of een middeleeuws klooster was geen simpel kozijn; het was een tunnel. De kantelaaf ontstond uit pure noodzaak. Men schuinde de kanten af om licht te vangen. Meer licht zonder de constructieve stabiliteit te verliezen. Dat was de kern. Het was een slimme, puur functionele ingreep in het metselwerk die we nog steeds terugzien in historische binnensteden.
Later kwam de versiering. In de renaissance en barok werd de kantelaaf een podium voor architectonische profilering. Natuurstenen kaders. Zware ornamenten. Het gaf de gevel diepte en een zekere autoriteit. De plasticiteit van de gevel werd belangrijker dan alleen de lichtinval. Maar de echte omslag kwam met de grootschalige introductie van de spouwmuur begin twintigste eeuw. Ineens was de muur niet meer massief. De kantelaaf werd de plek waar binnen- en buitenblad elkaar ontmoetten. Een kwetsbaar punt voor vocht. Een technisch hoofdpijndossier.
De introductie van DPC-folies en loodslabben transformeerde de ambachtelijke dagkant tot een complex technisch detail. Vandaag de dag is de historische esthetiek vaak ondergeschikt aan de thermische prestatie. We isoleren de kantelaaf om koudebruggen te vermijden. Waar vroeger de metselaar met de troffel de vorm bepaalde, doet nu de bouwfysicus dat met berekeningen van de ψ-waarde. Van lichtwerktuig naar thermische barrière. Een functionele verschuiving die de uitstraling van onze moderne gevels fundamenteel heeft veranderd.