De uitvoering van infiltratie start in de regel bij een analyse van de bodemgesteldheid. Hoe snel zakt het weg? De verzadigde doorlatendheid, uitgedrukt in de K-waarde, bepaalt de uiteindelijke capaciteit van de voorziening. Vaak vindt er een infiltratiemeting plaats op de specifieke locatie waar de bebouwing moet verrijzen. De bodem moet immers in staat zijn het aangeboden volume te verwerken.
Bij bovengrondse methodieken, zoals de aanleg van een wadi, richt men een laaggelegen terreindeel in waar het hemelwater zich verzamelt. De aanwezige begroeiing en de toplaag dienen hierbij als natuurlijk filter. Het water zakt weg. Traag. Soms duurt dit proces uren. Het is een kwestie van tijdelijke opslag gevolgd door verticale passage naar de diepere grondlagen.
Ondergrondse systemen vergen een andere aanpak. Men brengt infiltratiekratten of IT-riolen aan onder het maaiveld. Deze kratten bestaan uit holle kunststof modules met een open structuur. Omhulling met geotextiel is standaard. Dit voorkomt inspoeling van zand en fijne deeltjes uit de omliggende bodem. De toevoer geschiedt meestal via een gesloten buizenstelsel vanaf de daken of verharde oppervlakken. Het water stroomt de voorziening in. Buffering is essentieel. De druk van de verzamelde waterkolom in de kratten forceert het vocht vervolgens zijdelings en neerwaarts de bodem in.
Vaak wordt een zandvangput of een bladvanger stroomopwaarts geplaatst. Dit houdt het systeem operationeel. Zonder deze barrière raakt de infiltratievoorziening onherroepelijk verstopt. Bij verzadiging van de bodem of extreme neerslag treden overloopmechanismen in werking. Het water vindt dan alsnog een weg naar het oppervlaktewater of het riool. Het is een cyclus van opvangen, tijdelijk vasthouden en gedoseerd afgeven aan de ondergrond.
Niet elk systeem werkt hetzelfde. Je maakt een scherp onderscheid tussen bovengrondse en ondergrondse infiltratie. Een wadi is het bekendste voorbeeld van de bovengrondse aanpak. Het is een met gras begroeide laagte in het terrein. Eenvoudig. Doeltreffend. Het water verzamelt zich hier en zakt langzaam door de bodemlaag weg. Dan heb je nog de infiltratievelden of greppels. Deze hebben vaak een minder esthetische functie dan de wadi en zijn puur technisch ingericht voor tijdelijke waterberging.
Waterdoorlatende of waterpasserende verharding is een type apart. Hierbij sijpelt het regenwater direct door de voegen of de poreuze steen zelf heen. Geen plassen op de parkeerplaats. De ondergrond onder de stenen moet hierop zijn aangepast met een drainerende funderingslaag van bijvoorbeeld granulaat.
Ondergronds is de techniek vaak onzichtbaar. Infiltratiekratten vormen hierbij de ruggengraat. Deze grote kunststof modulaire blokken bieden veel holle ruimte voor tijdelijke opslag. Ze liggen verborgen onder wegen, pleinen of tuinen. Vaak in grote clusters. Dan zijn er de IT-riolen. Infiltratie-Transportbuizen. Deze buizen zijn geperforeerd en omhuld met een filtervlies. Ze vervoeren water tijdens een bui, maar laten het onderweg ook gecontroleerd 'lekken' naar de omringende bodem.
Voor locaties met een zeer krappe footprint of specifieke bodemlagen gebruikt men verticale infiltratieputten. Deze putten boren diep door ondoorlatende kleilagen heen om een zandlaag te bereiken die het water wél kan opnemen. Het is een verticale oplossing voor een horizontaal probleem.
Pas op voor begripsverwarring in het bestek. Infiltratie is absoluut geen drainage. Drainage trekt water actief uit de grond om de grondwaterstand te verlagen voor de landbouw of bouwtechniek; infiltratie dwingt water juist de grond in om het peil aan te vullen. Twee uitersten in de waterhuishouding.
Ook de termen retentie en infiltratie worden vaak door elkaar gehaald. Retentie gaat puur over het tijdelijk vasthouden van water om piekbelastingen op het riool te voorkomen. Dit kan ook in een dichte betonnen bak die later leegstroomt in het riool. Infiltratie gaat een stap verder. De bodem is hier de eindbestemming. Vaak zie je een hybride vorm: een infiltratievoorziening die bij extreme overbelasting pas als retentie fungeert door het teveel aan water vertraagd af te voeren naar oppervlaktewater. Het een sluit het ander niet uit, maar het doel is wezenlijk anders.
De technische vertaling van deze zorgplicht ligt vast in genormeerde richtlijnen. Voor het ontwerp en de dimensionering van infiltratiesystemen is NEN 3392 de leidraad. Deze norm stelt eisen aan de berekeningsmethodiek en de uitvoering van infiltratievoorzieningen buiten gebouwen. Daarnaast speelt NEN-EN 752 een rol bij de algemene opzet van afvoersystemen onder vrij verval. Waterschappen hanteren bovendien hun eigen verordeningen, de zogenaamde waterschapsverordening (voorheen de Keur), waarin regels staan over lozingsdebieten naar oppervlaktewater wanneer infiltratievoorzieningen overlopen. Berekeningen moeten vaak vooraf ter goedkeuring worden overlegd bij de bouwaanvraag. Geen infiltratieplan betekent in veel gevallen simpelweg geen vergunning.
Eerst was er de afvoer. Snel wegwezen met dat water. Dat was de standaard in de naoorlogse wederopbouw waar beton en asfalt het landschap dicteerden. Regenwater werd decennialang beschouwd als een overlast die zo efficiënt mogelijk via gemengde rioolstelsels naar de zuivering moest worden getransporteerd. Deze focus op snelle afvoer leidde echter tot een onvoorzien probleem: een dalende grondwaterspiegel en structurele verdroging van de bodem, vooral op de hogere zandgronden.
De jaren negentig markeerden een cruciaal kantelpunt in de Nederlandse waterhuishouding. De introductie van de Vierde Nota Waterhuishouding in 1998 dwong de bouwsector tot een radicale koerswijziging. Men stapte over van 'afvoeren' naar de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en dan pas afvoeren. Infiltratie werd de technische vertaling van dit beleid.
Technisch gezien begon het simpel met grindkoffers. Men groef een gat, vulde dit met grind en liet het regenwater daar inkomen. Doeltreffend, maar beperkt in opslagcapaciteit. De evolutie naar de moderne infiltratiekratten van polypropyleen vond plaats rond de eeuwwisseling. Deze modules boden een holle ruimte van wel 95%, een enorme sprong voorwaarts ten opzichte van de 30% van een grindkoffer. In de utiliteitsbouw werd het afkoppelen van grote dakoppervlakken hierdoor technisch haalbaar op een klein oppervlak. Wat begon als een ecologisch experiment in pionierswijken, is inmiddels verworden tot een gestandaardiseerd onderdeel van de integrale infrastructuur bij elk bouwproject.
Wildkamp | Vlaanderen | Nieman | Kennis.hunzeenaas | Blauwgroenvlaanderen | Nladaptief | Bouwadaptief | Vlario | Saxion | Mijnwaterfabriek | Hoornstra-infrabouw | Waterpas | Pannekoekgww | Joopgoossens | Vaarkamp