De IJsselformaatsteen, dat is meer dan alleen een maat. Het is een statement. Zie je een gerestaureerd monumentaal pand in een historische binnenstad? Grote kans dat hier IJsselformaat is toegepast. Denk aan die oude pakhuizen langs de Hollandse IJssel of de gevels van boerderijen in de Gelderse streken; daar waar de authenticiteit bewaard moest blijven, daar kom je deze compacte, langwerpige steen tegen. Nieuw metselwerk dat naadloos wil aansluiten bij een bestaand historisch ensemble? Architecten pakken hem er graag bij. Het gaat om die karakteristieke, bijna fijne textuur die het metselwerk krijgt, die handgevormde uitstraling die je niet met een machinaal geproduceerde steen bereikt. Een nieuwbouwproject waar de esthetiek van een vervlogen tijdperk met moderne technieken wordt samengebracht, het kan. Een landhuis dat de traditionele streekarchitectuur eert, of zelfs een ambachtelijke bakkerij met een gevel die warmte en ambacht uitstraalt; de IJsselformaatsteen geeft die gewenste nuance, die tijdloze elegantie, een soort ingetogen chic. Het is de steen die fluistert, niet schreeuwt, over historie en vakmanschap.
Maar ook buiten de hoofdgevels vinden we hem. Soms als een subtiel, decoratief element in siermetselwerk. Of een plint van een gebouw die net wat meer verfijning vraagt dan een standaard formaat kan bieden. De smalle, horizontale belijning die ontstaat door de kleine hoogte en het relatief grote aantal stenen per vierkante meter, dat geeft een heel eigen ritmiek aan de gevel. Het is geen massieve aanwezigheid, eerder een delicate detaillering. De keuze voor deze steen is nooit toevallig. Het is een bewuste beslissing voor een specifieke sfeer, een zekere bouwcultuur, daar waar het gaat om het creëren van een gelaagdheid die je in grotere formaten simpelweg mist. Het bouwt compact, oogt verfijnd, en behoudt die historische connectie. Dat is de kracht van IJsselformaat.
De IJsselformaatsteen, hoewel diep geworteld in de Nederlandse bouwgeschiedenis, kent geen specifieke, op zichzelf staande wetgeving die het formaat of het gebruik ervan afdwingt. Dat neemt niet weg dat de toepassing van dit traditionele baksteenformaat, net als elk ander bouwmateriaal, valt binnen het bredere raamwerk van bouwregelgeving en normen. Deze kaders bepalen de randvoorwaarden voor constructieve veiligheid, duurzaamheid en esthetiek van bouwwerken.
Zo stelt het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL), de opvolger van het Bouwbesluit, prestatie-eisen aan gebouwen; dit omvat alles van constructieve sterkte en brandveiligheid tot energiezuinigheid en geluidwering. Een IJsselformaatsteen op zich wordt hier niet bij naam genoemd, maar het metselwerk waarin het toegepast wordt, moet uiteraard voldoen aan deze eisen. De baksteen zelf, als bouwproduct, dient tevens te voldoen aan de relevante productnormen, zoals de Europese NEN EN 771-1, die de specificaties voor metselbakstenen vastlegt en daarmee de CE-markering mogelijk maakt. Dit verzekert een basiskwaliteit, ongeacht het formaat.
Met name bij restauratieprojecten van monumentale panden, waar de IJsselformaatsteen vaak de oorspronkelijke keuze was, speelt de Erfgoedwet een cruciale rol. Deze wet heeft als doel het behoud van cultureel erfgoed en kan, in samenspraak met de plaatselijke monumentencommissie, leiden tot de eis om de oorspronkelijke materialen en bouwtechnieken te hanteren. Dit kan indirect de keuze voor een traditioneel formaat zoals de IJsselformaatsteen beïnvloeden, om zo de authentieke uitstraling en historische context te waarborgen. Daarnaast kunnen gemeentelijke bestemmingsplannen of welstandsnota's in beschermde stads- of dorpsgezichten specifieke esthetische richtlijnen bevatten die het gebruik van traditionele materialen of specifieke baksteenformaten stimuleren, of zelfs als voorwaarde stellen, bij nieuwbouw of verbouw die naadloos moet aansluiten bij de bestaande architectuur. Kortom, geen direct voorschrift voor de steen, wel een web van regels dat de toepassing ervan sterk beïnvloedt.
De geschiedenis van de IJsselformaatsteen is intrinsiek verweven met de geografie van Nederland, met name de uitgestrekte uiterwaarden langs de rivier de IJssel. Daar, uit die specifieke rivierklei, won men het oermateriaal; een kleisoort die, bij het bakken, een lastige neiging vertoonde tot overmatige krimp en scheurvorming, als de stenen ook maar enigszins te omvangrijk werden gevormd. Compactheid, dus, dat was geen kwestie van esthetische voorkeur, noch van willekeur. Het was een keiharde, pragmatische noodzaak, een antwoord op de inherente eigenschappen van het grondstof, om überhaupt een duurzame en betrouwbare baksteen te kunnen produceren die de hoge temperaturen van de oven overleefde. Zo ontstond, heel organisch en gedreven door de lokale omstandigheden, een van de meest karakteristieke Nederlandse baksteenformaten.
Vanaf de late Middeleeuwen, en gedurende de gehele 17e, 18e en een groot deel van de 19e eeuw, bepaalde deze slanke, vaak handgevormde steen het aanzicht van gebouwen in de Midden- en Oost-Nederlandse regio's. Monumentale boerderijen, imposante vestingwerken, kerken – ondenkbaar zonder. De handzaamheid was een bijkomend voordeel: perfect voor handmatige productie, voor metselaars die steen voor steen muren optrokken, voor transport met paard en wagen over ongeplaveide wegen. Het was, met andere woorden, een maat die perfect paste bij de technologische stand van zaken en de economische realiteit van die tijd. Maar toen, met de industriële revolutie, kwamen de grote veranderingen. Industriële ringovens, machines voor kleibereiding die homogenere massa's produceerden; de beperkingen van de klei en het handwerk vervaagden. Grotere formaten, zoals het Waalformaat, konden plots veel efficiënter en in grotere hoeveelheden worden gefabriceerd. Daarmee verschoven de economische en logistieke voordelen. Het IJsselformaat verloor zijn hegemonie in de nieuwbouw; het werd een specialistische steen, een eerbetoon aan een rijk verleden, die nu vooral zijn plek vindt in restauratie, bij architecten die doelbewust zoeken naar die fijne schaal en historische gelaagdheid in hun ontwerpen.