Het proces vangt aan bij de fysieke conditie van de ondergrond. Schone poriën zijn noodzakelijk. Vervuiling, zoutuitslag of organische aangroei blokkeren de weg naar het capillaire netwerk. Eerst herstel van defect voegwerk en scheuren. Water vindt daar immers altijd een weg naar binnen, ongeacht de kwaliteit van de behandeling. De feitelijke applicatie geschiedt veelal via de vloeimethode waarbij het middel onder lage druk over het gevelvlak stroomt zodat de vloeistof langzaam maar zeker diep in de minerale structuur van de baksteen of natuursteen wordt opgenomen.
Men werkt van boven naar beneden. In horizontale banen. De vloeistof loopt in een continue film over het oppervlak en trekt weg in de poriën tot verzadiging optreedt. Een vloeilengte van enkele decimeters is hierbij de norm. Bij sterk zuigende materialen volgt vaak een nat-in-nat behandeling. Twee lagen kort achter elkaar voor een optimaal resultaat. Een droge ondergrond blijft cruciaal voor een goede indringdiepte; aanwezig vocht in de haarvaten stoot de vloeistof simpelweg af. Ook de temperatuur van het object en de lucht moet binnen specifieke marges vallen om de reactie van de actieve stoffen te waarborgen.
De keuze voor een hydrofobeermiddel hangt nauw samen met de poriegrootte van de ondergrond. Silanen vormen de kleinste moleculaire klasse. Hun geringe omvang staat garant voor een diepe penetratie in zeer compacte materialen zoals gewapend beton of harde natuursteen. Ze reageren chemisch met het silicaat in de ondergrond. Siloxanen daarentegen bestaan uit grotere moleculen. Deze zijn bij uitstek geschikt voor de meer open structuur van baksteen of kalkzandsteen. Vaak kiest men voor een hybride mengsel van beide; silaan-siloxanen combineren een goede indringdiepte met een snelle oppervlaktekracht.
Vroeger domineerden oplosmiddelhoudende producten de markt. De vluchtige organische stoffen (VOS) zorgden voor een razendsnelle opname, zelfs op licht vochtige ondergronden. Tegenwoordig dwingen milieueisen en ARBO-wetgeving tot het gebruik van watergedragen emulsies. Deze zijn geurloos en veiliger voor de verwerker, maar de ondergrond moet kurkdroog zijn voor een optimaal resultaat. Water stoot water immers af.
Naast de klassieke dunvloeibare vloeistoffen zien we steeds vaker hydrofobeercrèmes. Een dikke pasta. Geen geknoei. Crèmes worden met de roller of kwast aangebracht in plaats van met de lagedrukspuit. Het grote voordeel? De contacttijd met het oppervlak is vele malen langer. Hierdoor krijgt de actieve stof de tijd om diep in de steen te trekken zonder weg te vloeien langs de gevel. Dit minimaliseert verlies en garandeert een hoge concentratie werkzame stof precies daar waar het nodig is. Vooral bij horizontale vlakken of overstekken een technisch superieure oplossing.
Kijk naar een behandelde gevel kort nadat het gestopt is met regenen. Waar een gewone muur donker kleurt en het water langzaam opzuigt, zie je bij een gehydrofobeerde muur iets bijzonders. Het water trekt niet in. Kleine, glinsterende parels blijven op de baksteen liggen of rollen in straaltjes direct naar de plint. De steen behoudt zijn oorspronkelijke, lichte kleur. Geen natte vlekken die dagenlang moeten drogen.
Een typisch geval. Een gemetselde schoorsteen op een onbeschutte plek krijgt de volle laag van de wind en regen. Slagregen slaat door het metselwerk heen, met vochtplekken op het plafond van de bovenverdieping als resultaat. Na het hydrofoberen van de schoorsteenmantel is de indringing gestopt. De muur fungeert niet langer als een verzadigde spons, terwijl de constructie toch kan blijven ademen om intern vocht af te voeren.
Tuinmuren van kalkzandsteen of gevels met een minerale sierpleister zijn berucht om hun zuigende werking. Ze worden snel grauw door algen en mossen die gedijen op de vochtige ondergrond. Door deze oppervlakken te behandelen, blijven ze veel langer schoon. De voedingsbodem voor groene aanslag — water — ontbreekt simpelweg. Ook de gevreesde vorstschade, waarbij de toplaag van de steen door bevriezend water wordt weggedrukt, krijgt geen kans bij een droge steenstructuur.
Ooit smeerde men muren simpelweg in met lijnolie, bijenwas of dierlijke vetten. Primitief. Het doel was verzadiging van de toplaag om indringing van slagregen te voorkomen, maar het resultaat was vaak een volledig afgesloten gevel die niet meer kon ademen. Interne condensatie en vorstschade door opgesloten vocht waren het onvermijdelijke gevolg van deze vroege barrièremethoden.
De echte technische verschuiving vond plaats halverwege de twintigste eeuw. In de jaren '50 en '60 van de vorige eeuw kwamen de eerste siliconenharshydraten op de markt. Deze producten boden voor het eerst een zekere mate van waterafstoting zonder de poriën volledig te verstoppen, al liet de duurzaamheid en indringdiepte vaak nog te wensen over. In de jaren '70 volgde de cruciale doorbraak met de ontwikkeling van monomere silanen en oligomere siloxanen. Dit was geen simpel laagje meer. Het was chemie. Deze stoffen gingen een directe verbinding aan met het silicaat in de minerale ondergrond, waardoor de behandeling niet langer een externe film was, maar een integraal onderdeel van de steenstructuur werd.
Vanaf de jaren '90 dwingen milieu-eisen en de VOS-richtlijnen de sector tot innovatie. De dominante positie van oplosmiddelhoudende middelen, berucht om hun vluchtige organische stoffen, brokkelde langzaam af ten gunste van watergedragen emulsies. Recentere ontwikkelingen hebben geleid tot de opkomst van hydrofobeercrèmes; pasta's die een veel langere contacttijd met het oppervlak garanderen dan de traditionele vloeimethode. Wat begon als het dichtvleien van een muur met vet, is geëvolueerd naar een precisie-ingreep op moleculair niveau waarbij de waterhuishouding van een gebouw tot in de kleinste porie wordt gereguleerd.
Joostdevree | Knb-keramiek | Betoniek | Murenvochtig | Betontranslate | Sariscompany | Rolithshop