In grote stalen cilinders, de zogenaamde autoclaven, vindt de kern van de handeling plaats. Men plaatst het hout op lorries en rijdt deze de ketel in. De deur sluit luchtdicht. Eerst creëert de installatie een diep vacuüm om de lucht uit de houtcellen te trekken. Dit is essentieel. Zonder deze onderdruk zou de aanwezige lucht de indringing van de conserveringsvloeistof blokkeren.
Zodra de gewenste onderdruk is bereikt, vult de ketel zich volledig met de vloeistof. De pompen treden in werking. Onder hoge hydraulische druk, die vaak oploopt tot 10 of 12 bar, wordt het impregneermiddel diep in de vezelstructuur geperst. De duur van deze drukfase hangt sterk af van de houtsoort en de vereiste verzadigingsgraad voor de uiteindelijke toepassing. Na het aflaten van de druk volgt meestal een naloopvacuüm. Het hout verliest hierdoor zijn overtollige vloeistof, waardoor het oppervlak bij het verlaten van de ketel hanteerbaar is. Een fixatieperiode volgt. De chemische componenten binden zich in deze fase aan de cellulose van de celwanden.
Bij minder intensieve processen, zoals bij lichte verduurzaming voor beschut buitenwerk, hanteert men de dompelmethode. Hierbij zakt het hout in een open bad. De indringing blijft hierbij beperkt tot de buitenste lagen via capillaire werking. Voor kritische constructies in grondcontact is de vacuüm-drukmethode echter de standaard. Soms vindt er voorafgaand aan de behandeling mechanische bewerking plaats, zoals inciseren, waarbij kleine insnijdingen in het houtoppervlak de vloeistofopname bij moeilijk doordringbare soorten zoals vuren verbeteren.
Houtimpregnering is geen uniforme handeling; de zwaarte van de ingreep varieert met de beoogde gebruiksfunctie. De vacuüm-drukmethode vormt de industriële standaard voor hout dat in direct contact komt met grond of water. Hierbij wordt het middel tot diep in de celstructuur geforceerd. Voor minder kritische toepassingen, zoals hout dat enkel aan incidentele regen wordt blootgesteld, volstaat vaak de dompelmethode. Dit proces berust op capillaire werking en diffusie. De indringing blijft beperkt tot enkele millimeters. Het hout baadt in een bad van conserveringsvloeistof, een methode die sneller en goedkoper is, maar minder bescherming biedt bij structurele vochtbelasting. Dan is er nog creosoteren. Dit is een zware variant waarbij koolteeroliën onder hoge temperatuur en druk worden ingebracht. Vanwege de geur en toxiciteit is dit strikt voorbehouden aan professionele toepassingen zoals spoorbielzen en telefoonpalen.
De kleur van geïmpregneerd hout vertelt vaak het verhaal van de gebruikte chemie. Wolmaniseren is een term die in de volksmond synoniem is geworden voor groen impregneren. Het verwijst naar de koperhoudende zouten die na fixatie een groenige tint achterlaten. Voor wie deze esthetiek wil vermijden, bestaan er bruine impregneermiddelen; hierbij is een kleurstof aan het zoutmengsel toegevoegd om het hout een warmere, meer natuurlijke uitstraling te geven die doet denken aan hardhout. Voor binnentoepassingen of fijn timmerwerk wordt vaak gekozen voor kleurloze impregnatie op basis van organische oplosmiddelen (LOSP). Dit type beschermt tegen insecten en lichte schimmelvorming zonder de houtkleur aan te tasten of de houtvezel te laten zwellen.
Men verwart impregneren regelmatig met beitsen of schilderen. Een cruciaal verschil. Een coating vormt een film op het oppervlak. Impregnering nestelt zich ín de vezel. Het hout blijft ademen. Ook het onderscheid met thermische modificatie is essentieel voor de juiste materiaalkeuze. Waar impregneren werkt met chemische toevoegingen om micro-organismen te weren, verandert thermische modificatie de celstructuur zelf door verhitting in een zuurstofarme omgeving. Geen gif, maar een fysieke verandering. In de handel wordt ook vaak gesproken over 'verduurzaamd hout', wat een parapluterm is voor zowel chemisch geïmpregneerd als thermisch gemodificeerd hout. Let op het verschil: een geïmpregneerde paal is vaak natter en zwaarder bij levering dan de thermische variant.
Een vurenhouten tuinpaal staat diep in de natte kleigrond. De onderkant krijgt geen lucht. Bodemvocht trekt er constant in. Hier zie je de typische groene gloed van het vacuüm-drukproces zijn werk doen; de paal blijft staan waar onbehandeld vuren al na drie seizoenen was geknakt. Op de bouwplaats liggen stapels groene daklatten klaar voor de dakdekker. Deze latten trotseren de condens die zich onvermijdelijk vormt onder de pannen, jaar in jaar uit.
Soms zie je bij een afgezaagde balk de kopse kant. De buitenste ring is donkergroen of bruin, verzadigd door de druk in de autoclaaf, terwijl de kern vaak lichter van kleur blijft. Dat is de indringingsdiepte in optima forma. In een slecht geventileerde hoek onder een vlonder rusten de onderste balken vlak boven de vochtige aarde. Ze zijn donkerbruin geïmpregneerd om de constante aanval van bodemschimmels te weerstaan. Het is de onzichtbare kracht die goedkoop naaldhout transformeert tot een betrouwbaar constructiemateriaal voor buiten. Geen cosmetische laag, maar een structurele verandering die pas opvalt als je het hout doorzaagt of na tien jaar merkt dat de constructie nog steeds kaarsrecht staat.
De industrie van houtverduurzaming opereert binnen een strak Europees speelveld. De Biocidenverordening (BPR, Verordening (EU) Nr. 528/2012) staat aan de basis; deze wetgeving bepaalt welke werkzame stoffen überhaupt in de impregneerketels mogen belanden. Het is een voortdurende balans tussen effectiviteit tegen schimmels en de bescherming van de volksgezondheid en het milieu. Stoffen die vroeger standaard waren, zoals bepaalde arseenverbindingen, zijn inmiddels verboden voor consumententoepassingen.
Voor de technische specificatie is de normenreeks NEN-EN 335 leidend. Deze verdeelt de toepassing van hout in vijf gebruiksklassen. Het is de taal die de constructeur spreekt. Van klasse 1 (kurkdroog binnenwerk) tot klasse 5 (maritieme toepassingen in zout water). Wie een schutting plaatst, kijkt naar klasse 3 of 4.
| Gebruiksklasse | Situatie | Typisch voorbeeld |
|---|---|---|
| Klasse 1 | Binnen, permanent droog | Binnenwanden |
| Klasse 2 | Binnen of onder dak, risico op condens | Dakconstructies |
| Klasse 3 | Buiten, boven de grond, onbeschermd | Gevelbekleding |
| Klasse 4 | Contact met grond of zoet water | Tuinpalen, steigers |
| Klasse 5 | Permanent contact met zout water | Havenwerken |
Niet alleen de plek van het hout telt. NEN-EN 351 stelt harde eisen aan het resultaat van het proces zelf. Men spreekt hier over indringingsdiepte en retentie. Dit laatste betreft de exacte hoeveelheid werkzame stof per kubieke meter hout. In Nederland fungeert het KOMO-keurmerk vaak als de praktische vertaling van deze normen in bouwbestekken. Het biedt de zekerheid dat de behandeling niet slechts een oppervlakkig kleurtje is, maar een technisch gecontroleerde ingreep die voldoet aan de gestelde duurzaamheidseisen. Zonder certificering tast men in het duister over de werkelijke beschermingsgraad diep in de vezel.
Sleiderink | Houtwaterdichtmaken | Thermowood | Houtwaterdichtmaken | Ecoformeurope