Het proces begint bij de profilering. Een scherpe zaagsnede. Men onderbreekt de verticale lijn van de architraaf abrupt om de lijst naar buiten toe uit te laten zwenken. In de werkplaats worden de profielstukken onder verstek gezaagd, waarbij de hoekverdraaiing de visuele 'knik' bepaalt die zo kenmerkend is voor dit ornament. Bij houten kozijnomlijstingen monteert de timmerman de verschillende segmenten vaak op een vlakke achtergrond, terwijl een natuursteenbewerker de volledige verspringing uit één monolithisch blok kapt. Dat vergt een vaste hand.
De profilering moet naadloos doorlopen in de verspringing, een detail dat bij complexe lijstwerken een hoge mate van ruimtelijk inzicht vereist. Geometrie ontmoet ambacht. Vaak ziet men dat de verbindingen verlijmd of met blinde bevestigingen vastgezet worden om de strakke lijnen niet te verstoren door zichtbare nagels of schroeven. Geen rechte lijn, maar een bewuste omweg. De maatvoering van de verspringing luistert nauw; deze moet exact corresponderen met de breedte van de lijst om de visuele balans van het totale gevel- of interieurelement te bewaren.
Variaties in de grosette worden primair gedicteerd door het gekozen materiaal en de gewenste graad van detaillering. Bij natuurstenen omlijstingen is de grosette vaak monolithisch van aard. De vakman hakt de verspringing direct uit het blok. Dat geeft een naadloze en robuuste uitstraling. In de houtbouw of bij fijn interieurafwerking is de benadering anders; hier worden verschillende profieldelen onder verstek samengevoegd om de karakteristieke knik te realiseren. Dit vereist uiterste precisie in de lijnen van de architraaf. Soms kiest men voor een blinde verbinding. Geen schroef te zien.
Verwarring ligt op de loer bij de term 'oreille' of 'oor'. Hoewel ze in de volksmond vaak als synoniem worden gebruikt, bestaat er een technisch nuanceverschil waar de purist waarde aan hecht. De grosette slaat specifiek op de scherpe, hoekige verspringing in de profilering zelf. Een oreille is de gehele decoratieve verbreding van de stijl die voorbij de bovendorpel steekt. De grosette is de actie; het oor is het resultaat.
Niet elke grosette is gelijk in zijn ornamentiek. Men onderscheidt grofweg twee stromingen binnen de klassieke architectuur:
Zeldzamer is de dubbele grosette. Hierbij verspringt de lijst niet één, maar twee keer alvorens de verticale lijn te vervolgen. Dit geeft een extra monumentaal effect, vaak toegepast in de barokarchitectuur waar maximale dynamiek in de gevel het doel was. Het is een bewuste onderbreking van de visuele rust. Soms zie je ook een 'omgekeerde' grosette aan de onderzijde van een vensteromlijsting, al blijft de positie aan de bovenzijde de standaard in de klassieke leer.
Een statig grachtenpand. De zware eikenhouten deur wordt geflankeerd door architraven die niet simpelweg eindigen bij de latei, maar met een bewuste, scherpe knik de hoek om gaan om een breder draagvlak voor de kroonlijst te vormen. De profilering verspringt hier abrupt. Geen flauwe bocht. Het creëert een schaduwwerking die de entree direct een monumentaal karakter geeft.
In een luxe interieurafwerking kom je de grosette tegen bij de aftimmering van hoge ensuite-deuren. De timmerman zaagt de lijstwerken onder een dubbel verstek, waardoor het profiel van de architraaf bij de bovenhoeken een paar centimeter naar buiten wijkt. Het resultaat? Een visuele onderbreking die voorkomt dat de omlijsting als een saai kader oogt. Soms zie je dat de ontstane binnenhoek is opgevuld met een klein, houten blokje in de vorm van een diamantkopje om de overgang extra te accentueren. Ambacht in detail.
Denk ook aan een hardstenen vensteromlijsting in een classicistische gevel. Hier is de grosette vaak uit één stuk natuursteen gehouwen. De horizontale bovendorpel steekt aan weerszijden iets voorbij de verticale stijlen uit, waarbij de profilering naadloos de hoek om loopt. Het oogt robuust en verankert het kozijn visueel in het omliggende metselwerk. Het is een subtiele maar effectieve manier om de geometrie van een gevelopening te benadrukken zonder overdaad.
Bij werkzaamheden aan panden met een monumentale status is de Erfgoedwet het leidende kader. Een grosette is hierbij zelden een losstaand decorum. Het is een integraal onderdeel van de beschermde architectuur. Het eigenhandig wijzigen, verwijderen of onnauwkeurig kopiëren van deze verspringingen in de profilering is zonder omgevingsvergunning niet toegestaan. Men moet de historische gelaagdheid respecteren. De gemeente kijkt mee. In de praktijk betekent dit dat een restauratiearchitect vaak een nauwkeurige reconstructie eist op basis van historisch onderzoek of de originele bouwtekeningen. Ambachtelijke reconstructie is hier de norm.
Lokale overheden sturen via de welstandsnota op de esthetische kwaliteit van de gebouwde omgeving. Vooral in gebieden met een bijzonder welstandsregime, zoals historische binnensteden, wordt strikt toegezien op de profilering van gevelopeningen. De visuele impact van een grosette op het schaduwspel van de gevel is groot. Een kleine afwijking verstoort het beeld. Afwijkingen in de diepte van de verspringing of de hoek van de profilering kunnen leiden tot een weigering van de vergunning. Het gaat om de eenheid. Voor nieuwe ontwerpen in historiserende stijl moet de grosette vaak voldoen aan de 'redelijke eisen van welstand', waarbij de verhouding tot de rest van de architraaf technisch onderbouwd dient te worden middels schaaltekeningen.
De wortels van de grosette liggen in de Franse renaissancearchitectuur. Hier werd de term 'croisette' — een taalkundige voorloper — gebruikt voor de kenmerkende omzetting van een lijst. Een spel met licht en schaduw. Oorspronkelijk was het geen puur ornament, maar een logisch gevolg van het stapelen van natuurstenen blokken. De horizontale bovendorpel moest breder zijn dan de opening om stabiel op de stijlen te rusten. Franse meesters zoals Philibert de l'Orme verhieven deze noodzaak tot een esthetisch principe. De hoekige verspringing werd een stijlelement.
In de Nederlandse bouwkunst van de zeventiende eeuw deed de grosette zijn intrede via de verspreiding van architectuurtractaten. Architecten als Philips Vingboons introduceerden het classicisme in de grachtengordels. De grosette bood de ideale oplossing om statige raampartijen visueel te verankeren in de gevel. Geen saaie kaders. In deze periode was de uitvoering vaak sober en monolithisch, uitgevoerd in kostbare Bentheimer zandsteen. Vakmanschap met de beitel.
Tijdens de negentiende eeuw vond een verschuiving plaats naar houtbouw. De industriële revolutie bracht de stoomtimmerfabriek. Hierdoor werd de grosette bereikbaar voor de opkomende burgerij; complexe profielen konden nu machinaal geschaafd worden. De vormentaal werd uitbundiger. In de eclectische architectuur van rond 1880 zie je vaak dat de grosette gecombineerd wordt met een extra versiering in de binnenhoek, zoals een diamantkop of een houten rozet. Een statussymbool voor de bewoner. Ondanks de veranderende mode bleef de geometrische basisvorm — de abrupte knik — door de eeuwen heen vrijwel ongewijzigd als vaste waarde in de klassieke lijstleer.