De positionering van gootklossen geschiedt op vaste intervallen langs de gevellijn. Maatvoering is hierbij leidend. De bevestiging gebeurt mechanisch aan de achterliggende muurplaat of door middel van verankering in het metselwerk, afhankelijk van de specifieke constructieve opbouw van het gebouw. Tijdens de montagefase wordt de hoogte nauwkeurig bepaald met een smetlijn of laser. Dit waarborgt het vereiste afschot voor een goede waterafvoer. De klossen vormen een starre basis. Eenmaal gefixeerd, bieden ze het noodzakelijke rustpunt voor de gootbodem.
In de praktijk steken klossen regelmatig door de boeiboorden of de gevelbetimmering heen. Dit vraagt om nauwgezet paswerk ter plaatse van de doorvoeren. Bij historische panden worden klossen vaak als losse, handgemaakte elementen tegen de gevel geplaatst, terwijl moderne systemen soms gebruikmaken van prefab-units die sneller verwerkt kunnen worden. De verbinding tussen de klos en de gootbak vindt doorgaans van bovenaf plaats. Bevestigingsmiddelen blijven zo uit het zicht. Stabiliteit is het hoofddoel. Het draagvlak ondersteunt de breedte van de gootbodem volledig om vervorming onder invloed van zware waterlast of sneeuw te elimineren.
Hout blijft de onbetwiste standaard voor de klassieke uitstraling. Vaak valt de keuze op duurzame hardhoutsoorten zoals Meranti of Mahonie, omdat deze materialen de enorme druk van een volle goot moeiteloos opvangen zonder te splijten. Onderhoud is echter cruciaal. Schildert men de koppen niet tijdig, dan slaat houtrot onverbiddelijk toe op de plek waar kopshout en vocht elkaar ontmoeten. Kunststof varianten bieden hier een modern alternatief. Deze prefab elementen van polyurethaan of hoogwaardig PVC imiteren het uiterlijk van hout, maar blijven decennialang ongevoelig voor schimmels of weersinvloeden. Ze rotten niet. De vormgeving varieert van de sobere, rechte balk die we terugzien in de naoorlogse woningbouw tot de rijk geprofileerde consoles met ojief-vormen die kenmerkend zijn voor de neorenaissance of de jaren '30-stijl.
Een gootklos is geen gootbeugel. Waar de beugel een smalle metalen strip is die de goot als het ware 'vasthoudt', vormt de klos een massief rustpunt waar de gootbodem werkelijk op leunt. Dit fundamentele verschil in draagkracht bepaalt vaak de keuze voor een klos bij zware, op maat gemaakte houten gootbakken die met zink of EPDM zijn bekleed. In de monumentenzorg duikt regelmatig de term modillon op. Hoewel de functie nagenoeg identiek is, neigt de modillon naar een artistieker ontwerp, vaak uitgevoerd in natuursteen en onderdeel van een complexe kroonlijst. Gootklossen zijn functioneler. Soms worden ze 'blind' gemonteerd, waarbij ze volledig achter een overstekend boeiboord verdwijnen, maar vaker steken ze trots door het gevelvlak heen als zichtbaar onderdeel van de dakrandarchitectuur.
| Type | Kenmerk | Toepassing |
|---|---|---|
| Geprofileerde klos | Sierlijke frezing (hol/bol) | Klassieke woningbouw, renovatie |
| Strakke klos | Rechthoekig, geen ornamenten | Moderne architectuur, utiliteitsbouw |
| Prefab kunststof | Onderhoudsvrij, vaak hol van binnen | Nieuwbouw, seriebouw |
| Blinde klos | Onzichtbaar achter aftimmering | Strakke dakranden zonder details |
Stel je een statig herenhuis uit de jaren '30 voor. Onder de overstekende bakgoot prijkt een ritme van witgeschilderde, geprofileerde klossen. Ze vallen direct op. Hier vormen ze een onlosmakelijk geheel met de kroonlijst. Zonder deze elementen zou de dakrand kaal en visueel instabiel ogen. Elke klos geeft schaduw en diepte aan de gevel.
Bij een moderne schuurwoning zie je een heel ander beeld. Geen sierlijke krullen of ojief-profielen. De gootklos is hier een strakke, soms zwartgeblakerde balk van robuust douglashout. Hij steekt recht uit het metselwerk. Puur functioneel. Het benadrukt de constructieve eerlijkheid van het ontwerp. Massief hout tegenover strak stucwerk.
Een winterse dag met hevige sneeuwval illustreert het nut. De goot vult zich met een dikke laag zware, natte sneeuw. Bij woningen met enkel dunne metalen beugels zie je de goot soms vervaarlijk doorhangen tussen de bevestigingspunten. Niet bij een constructie met gootklossen. De massieve steunpunten houden de gootbodem onwrikbaar op zijn plek. Geen krimp. De waterafvoer blijft gewaarborgd zodra de dooi invalt. De klos vangt de druk op.
In de praktijk kom je de klos ook in deze situaties tegen:
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) vormt het wettelijke fundament voor de toepassing van gootklossen. Veiligheid staat centraal. Omdat de klos een dragend onderdeel is van de dakrandconstructie, moet deze voldoen aan de eisen voor constructieve sterkte. Hij moet de krachten van sneeuw en windstoten probleemloos kunnen overbrengen op de achterliggende muurplaat. Eurocode 1 (NEN-EN 1991) geeft hiervoor de noodzakelijke rekenparameters voor belastingen op constructies. Geen nattevingerwerk op hoogte.
De Welstandsnota van de betreffende gemeente bepaalt vaak de esthetische kaders. Vooral in beschermde stads- of dorpsgezichten. De gootklos is hier meer dan een steunpunt; het is een bepalend architectonisch detail. Het zomaar vervangen van geprofileerde houten klossen door strakke kunststof varianten is in zulke gebieden vaak vergunningplichtig. De historische continuïteit mag niet worden doorbroken.
Daarnaast is de norm NEN 3215 relevant voor de werking van de hemelwaterafvoer. De klossen dragen de goot en bepalen daarmee indirect het noodzakelijke afschot. Stabiliteit is cruciaal. Een verzakking door ondeugdelijke montage of rot tast de afvoercapaciteit aan, wat strijdig is met de prestatie-eisen van het gebouw. De constructie moet de integriteit van de waterhuishouding waarborgen onder alle weersomstandigheden.
De gootklos vindt zijn genetische oorsprong in de klassieke bouworden van de oudheid. Wat wij nu als houten ondersteuning kennen, begon als de stenen 'mutulus' onder de kroonlijst van Dorische tempels. In de Nederlandse architectuurgeschiedenis beleefde het element een vlucht toen de bakgoot vanaf de 17e eeuw de standaard werd voor prestigieuze grachtenpanden. Hout was het aangewezen materiaal. Deze vroege klossen waren vaak massief en rijk gebeeldhouwd. Ze fungeerden als visuele overgang tussen de verticale gevel en het uitstekende dakvlak. Status en constructie gingen hand in hand.
Met de opkomst van de negentiende-eeuwse seriematige bouw veranderde het karakter. De ambachtelijke, unieke vormgeving maakte plaats voor machinaal freeswerk. Gestandaardiseerde profielen zoals het ojief werden gemeengoed. De klos werd een los onderdeel dat tegen de muurplaat werd getimmerd, in plaats van een integraal onderdeel van de dakbalken. Tijdens de wederopbouw na 1945 dicteerde schaarste de vorm. Ornamenten verdwenen. De klos werd een sobere, functionele balk. Snelheid van bouwen was prioriteit. In de recente decennia is de grootste technische sprong de verschuiving naar composieten en kunststoffen. De industrie zocht naar oplossingen voor het eeuwige probleem van rot bij kopshout. Waar vroeger periodiek schilderwerk de enige redding was, zorgen prefab-elementen van polyurethaan nu voor een onderhoudsvrije reconstructie van het historische stadsbeeld.