In de praktijk start de vervaardiging van GGBS-beton bij de exacte dosering in de betoncentrale. De gemalen slak wordt ofwel als integraal onderdeel van een CEM III-cement toegevoegd, of als afzonderlijke component in de menger gedoseerd naast portlandcement. Het mengsel vereist een homogene verdeling. De interactie tussen de slakdeeltjes en de activator bepaalt de vloeibaarheid.
Tijdens het storten gedraagt het materiaal zich aanvankelijk als traditioneel beton, maar de tragere hydratatiereactie beïnvloedt de directe verwerkingscyclus. De warmteontwikkeling in de kern van de bekisting blijft beperkt. Dit is gunstig bij massieve constructies. Thermische spanningen worden hierdoor gereduceerd. De vloeifase houdt langer aan. Het beton blijft langer verwerkbaar, wat flexibiliteit biedt bij complexe stortopdrachten maar de ontkistingstijd beïnvloedt.
De nabehandeling vormt een essentieel onderdeel van de uitvoering. Door de trage reactie moet het oppervlak langer beschermd worden tegen uitdroging. Verdamping moet worden tegengegaan. Anders stopt de hydratatie aan de randzone voortijdig.
Kenmerkend voor de uitvoering is de visuele transformatie na het ontkisten:
De afwerking van vloeren, zoals het mechanisch vlinderen, vindt op een later tijdstip plaats dan bij puur portlandcementbeton. De opstijfperiode is langer. Dit verschuift de volledige planning van de stortdag. De uiteindelijke verdichting van de microstructuur vindt plaats over een periode van meerdere maanden, waarbij de poriën zich geleidelijk sluiten.
Op de bouwplaats zorgt de trage reactie voor een logistieke puzzel. Denk aan de afwerking van een monolithisch afgewerkte betonvloer. De betonafwerker staat op een koude middag te wachten. De opstijfperiode duurt uren langer dan bij een CEM I-mengsel. Terwijl de ploeg bij normaal beton al lang klaar zou zijn met vlinderen, begint het proces bij GGBS pas laat in de avond. De planning verschuift volledig naar de nachtelijke uren. Het is een directe consequentie van de lage hydratatiewarmte.
In de agrarische sector zie je de technische superioriteit terug bij sleufsilo's. Zuren uit kuilvoer tasten het cementsteen aan. Bij een inspectie na vijf jaar vertoont GGBS-beton nauwelijks het gevreesde 'zandstraaleffect', waarbij de grindkorrels los komen te liggen. De chemische weerstand tegen melkzuren houdt het oppervlak glad en dicht.
| Situatie | Wat je ziet/merkt | Waarom GGBS? |
|---|---|---|
| Massieve bruggenhoofden | Geen koelingsslangen in de bekisting nodig. | Lage temperatuurontwikkeling in de kern. |
| Parkeerkelder wanden | Diepblauwe vlekken direct na ontkisten. | Sulfidereactie in de slak (trekt weg). |
| Chemische opslag | Geen visuele degradatie van het oppervlak. | Hoge sulfaatbestendigheid. |
De basis voor het gebruik van GGBS-beton in Nederland ligt verankerd in de NEN-EN 206, de Europese moederstandaard voor betonmortel. De nationale invulling hiervan geschiedt via de NEN 8005. Deze normen zijn onverbiddelijk over de minimale eisen waaraan een mengsel moet voldoen om een bepaalde levensduur te garanderen. Het gaat hierbij niet alleen om sterkte, maar vooral om de weerstand tegen indringing van schadelijke stoffen. Voor de samenstelling van het bindmiddel zelf is de NEN-EN 197-1 de leidraad. Hierin worden de CEM III-cementen geclassificeerd op basis van hun slakgehalte.
Constructieve veiligheid vindt haar juridische grondslag in het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Dit besluit wijst de Eurocodes aan als de verplichte rekenmethode. Voor beton is dat de NEN-EN 1992 (Eurocode 2). Bij het rekenen aan GGBS-beton moet de constructeur rekening houden met de specifieke verhardingskarakteristieken. De tragere sterkteontwikkeling is niet vrijblijvend. Het beïnvloedt direct de toetsing van de constructie tijdens de uitvoeringsfase, bijvoorbeeld bij het bepalen van het moment van ontkisten of het voorspannen van liggers.
Milieuklassen dwingen vaak de keuze voor hoogovenslak af. In agressieve omgevingen, zoals bij direct contact met zeewater (XS) of chemische aantasting door sulfaten (XA), schrijft de NEN 8005 specifieke bindmiddeltypen voor. Vaak is een CEM III/B hier de normatieve ondergrens. Het is geen advies, het is een vereiste voor de duurzaamheid van de wapening.
Wanneer GGBS als losse component in de betoncentrale wordt toegevoegd aan een portlandcement (site-addition), treedt het k-waarde concept in werking. Dit is een rekenkundige regel uit de NEN-EN 206:
Deze regelgeving voorkomt dat de zoektocht naar CO2-reductie ten koste gaat van de structurele integriteit op de lange termijn. De wetgever borgt hiermee dat een constructie de beoogde levensduur van 50 of 100 jaar daadwerkelijk haalt zonder voortijdige degradatie.
Het begon bij afval. Bergen gloeiende slakken bij de ijzerovens vormden in de negentiende eeuw een logistiek probleem voor de opkomende staalindustrie. Emil Langen ontdekte in 1862 de fundamentele doorbraak: granulatie. Door vloeibare slak direct met water af te koelen, ontstond een glasachtige korrel in plaats van een kristallijn gesteente. Deze ontdekking legde de basis voor de latent hydraulische eigenschappen.
Eind negentiende eeuw startte de commerciële productie van hoogovencement in Duitsland. De eerste normen volgden rond 1900. In Nederland kreeg de ontwikkeling een vlucht met de oprichting van de CEMIJ in 1930 bij IJmuiden. Wat ooit een restproduct was, werd een essentieel onderdeel van de cementproductie. De focus verschoof van puur economisch hergebruik naar de specifieke technische voordelen die portlandcement niet kon bieden.
Na 1945 werd GGBS-beton de ruggengraat van de Nederlandse waterbouw. De wederopbouw vroeg om enorme volumes. De Deltawerken fungeerden als proeftuin op gigantische schaal. Voor de bouw van de Haringvlietsluizen en de Oosterscheldekering was de lage hydratatiewarmte van GGBS-beton geen luxe maar een keiharde constructieve eis. Massieve betonblokken zouden met puur portlandcement simpelweg uit elkaar scheuren door thermische spanningen.
De regelgeving ontwikkelde zich mee met deze praktijkervaring. Waar de vroege normen nog terughoudend waren over de vervangingspercentages, zorgde de bewezen duurzaamheid in zout milieu voor een brede acceptatie in de nationale betonnormen. In de jaren '80 en '90 werd het gebruik van CEM III met hoge slakgehaltes de facto de standaard voor de gehele civiele sector in de Benelux. De huidige transitie naar een circulaire bouweconomie heeft de rol van GGBS verder versterkt. Het accent ligt nu minder op de thermische beheersing en meer op de reductie van de Milieukostenindicator (MKI). Wat begon als een oplossing voor een afvalprobleem, is nu de primaire methode om de CO2-emissie van de betonsector te beperken.
Nl.wikipedia | Betonhuis | Libstore.ugent | Soroto | Architectura | Febelcem | Scholarsmine.mst | Betonakkoord | Ecocemglobal