De applicatie van gevelisolatie aan de buitenzijde begint met een grondige controle van de bestaande ondergrond. Is de gevel vlak? Hecht de mortel? De isolatieplaten worden doorgaans met een specifieke lijmmortel tegen de draagmuur bevestigd, waarbij men vaak de rand-en-puntmethode hanteert om een valse luchtspouw achter de isolatie te voorkomen. Bij grotere gebouwhoogtes of specifieke isolatiematerialen volgt mechanische fixatie. Kunststof schotelpluggen met een thermisch onderbroken kern boren zich door het isolatiemateriaal diep in de constructie.
Zodra de isolatielaag stabiel en vlak is aangebracht, volgt de opbouw van de beschermende lagen. Een wapeningsmortel vormt de basis. Hierin wordt een fijnmazig glasvezelweefsel ingebed dat mechanische spanningen en thermische uitzetting opvangt. Dit voorkomt scheurvorming in de latere afwerking. Hoekprofielen en stootlijsten worden gelijktijdig geplaatst om de kwetsbare randen bij kozijnen en hoeken te verstevigen. De afsluiting gebeurt met een finishlaag. Dit is veelal een dunne sierpleister op siliconen- of silicaatbasis, maar ook de verlijming van minerale of keramische steenstrips is gebruikelijk bij projecten waar een traditioneel metselwerkuitzicht gewenst is. Aansluitingen bij de plint en dakranden worden voorzien van specifieke profielen en zwelbanden om de waterdichtheid van het gehele systeem te waarborgen.
De keuze voor een specifiek isolatiemateriaal dicteert vaak de totale dikte van het pakket. EPS (geëxpandeerd polystyreen), herkenbaar aan de witte of grijze korrelstructuur, blijft de standaard voor de meeste ETICS-systemen. Het is licht. Het verwerkt makkelijk. Toch zijn er situaties waar EPS tekortschiet, bijvoorbeeld bij strenge brandveiligheidseisen. In die gevallen wordt minerale wol, meestal steenwol, toegepast. Steenwol is onbrandbaar en biedt bovendien een betere geluidsisolatie dan kunststofschuimen.
Voor situaties waar elke centimeter telt, zoals bij smalle overstekken of rooilijnen die niet overschreden mogen worden, biedt resolhardschuim uitkomst. Deze platen hebben een extreem lage lambdawaarde. Ze isoleren fors beter bij een geringere dikte. XPS (geëxtrudeerd polystyreen) wordt daarentegen specifiek ingezet voor de plintzone van de gevel. Omdat deze zone in direct contact staat met de grondslag, is een hoge drukvastheid en waterbestendigheid daar essentieel. Een verkeerde materiaalkeuze bij de plint leidt onherroepelijk tot schade door optrekkend vocht of mechanische belasting.
Er bestaat vaak verwarring tussen een 'nat' buitengevelisolatiesysteem en een geventileerde gevelconstructie. Bij ETICS wordt de afwerking, zoals sierpleister of minerale steenstrips, direct en volledig dekkend op de isolatielaag aangebracht. Er is geen sprake van ventilatie achter de afwerklaag. Dit in schril contrast met geventileerde gevelsystemen waarbij een houten of metalen achterconstructie een luchtspouw creëert tussen de isolatie en de gevelbekleding. Denk aan gevelplaten van vezelcement, hout of composiet.
Het onderscheid in afwerking is niet louter esthetisch. Een pleistersysteem vraagt om periodiek onderhoud en reiniging om algengroei tegen te gaan, terwijl steenstrips doorgaans robuuster zijn tegen mechanische beschadigingen op straatniveau. De impact van kleurkeuze is eveneens groot; zeer donkere kleuren op een gestucte isolatiegevel kunnen door absorptie van zonnestraling leiden tot thermische spanningen en scheurvorming in de mortellaag.
Wie de buitenschil van een bouwwerk fundamenteel wijzigt, krijgt direct te maken met het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL). Dit is het juridische kader. Geen vrijblijvend advies. De eisen voor de thermische weerstand (Rc-waarde) bij renovatie zijn hierin vastgelegd, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het rechtens verkregen niveau en de eisen bij een ingrijpende renovatie. De isolatiewaarde moet simpelweg kloppen met de wet.
Brandveiligheid is een kritiek punt in de regelgeving. De brandklasse van het totale ETICS-systeem, vaak getoetst volgens NEN-EN 13501-1, bepaalt of een systeem op een specifieke hoogte mag worden toegepast. Brandklasse B is veelal de ondergrens voor gevels van meerlaagse gebouwen. NEN 6068 speelt hierbij een rol voor het bepalen van de weerstand tegen brandoverslag naar aangrenzende gebouwen. Rookontwikkeling telt ook. Een verkeerde materiaalkeuze in de gevel kan bij brand leiden tot snelle verticale branduitbreiding, iets wat de regelgeving streng probeert te beperken.
Esthetiek en de openbare ruimte zijn de laatste hordes. Een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het uiterlijk van een bouwwerk is vrijwel altijd noodzakelijk. De welstandscommissie oordeelt. Past het stucwerk in het straatbeeld? Mag de baksteen verdwijnen? Ook de rooilijn is juridisch bindend. Omdat gevelisolatie aan de buitenzijde de gevel dikker maakt, kan de constructie de perceelgrens overschrijden. Dit vereist vaak toestemming van de gemeente voor gebruik van de openbare grond of privaatrechtelijke overeenkomsten met buren. Het gaat om centimeters, maar die hebben juridische gevolgen.
Het begon allemaal in de jaren vijftig. In Duitsland, om precies te zijn. Men experimenteerde daar voor het eerst met het direct verlijmen van kunststofschuim op metselwerk als reactie op de noodzaak voor snellere bouwmethoden tijdens de wederopbouw. In 1959 volgde de eerste commerciële toepassing van wat we nu als ETICS kennen. Een radicale breuk met de traditie van massieve muren of de destijds prille spouwmuurconstructies. De oliecrisis van de jaren zeventig fungeerde als de grote katalysator. Energie werd duur. Isoleren werd plotseling een prioriteit van staatsbelang.
Aanvankelijk waren de systemen rudimentair. Vaak niet meer dan eenvoudige EPS-platen met een dunne, kwetsbare stuclaag zonder noemenswaardige versteviging. Scheurvorming was schering en inslag. Dit dwong de industrie tot technische innovatie. De introductie van glasvezelwapening in de jaren zeventig bleek de ontbrekende schakel; het gaf de gevelschil de nodige flexibiliteit om thermische spanningen op te vangen zonder te barsten. In Nederland bleef de techniek lang in de schaduw van de vertrouwde baksteencultuur en de spouwmuur staan. Pas bij de grootschalige renovatiegolf van portiekflats in de jaren negentig brak het systeem breed door. De noodzaak om koudebruggen bij betonvloeren constructief op te lossen maakte buitengevelisolatie onmisbaar.
De evolutie stopte niet bij de techniek van het plakken alleen. Regelgeving rondom brandveiligheid, zeker na internationale incidenten met brandbare gevels, zorgde voor een verschuiving in materiaalgebruik. Minerale wol won terrein ten opzichte van kunststofschuimen in de hoogbouw. Wat ooit begon als een experimentele methode om Duitse huizen goedkoop warm te houden, is inmiddels uitgegroeid tot een hoogtechnologisch bouwsysteem. Gecertificeerd. Getest op windlasten. Essentieel voor het behalen van moderne BENG-eisen.