Het proces begint bij de korrel. Grof eerst. Dan steeds fijner. De beweging volgt de draad van het hout, want dwars schuren trekt diepe voren die de afwerking later genadeloos afstraft en elke onregelmatigheid in het licht zal benadrukken. Men werkt in fasen waarbij elke volgende korrelgrootte de krassen van de vorige stap wegpolijst totdat een volledig homogene structuur ontstaat.
Machinale bewerking op grote vlakken vereist een constante doorvoersnelheid en een egale drukverdeling om lokale uitholling of verbranding van het houtoppervlak te vermijden, wat dikwijls gebeurt bij een te hoog toerental of een te lange belasting op één specifiek punt. Stofvrij maken tussen de gangen door is geen detail maar noodzaak. Losse korrels onder een schuurvlak werken als een ongewenst snijgereedschap. Soms wordt het hout licht bevochtigd om de vezels te laten zwellen. Ze gaan rechtstaan. De laatste fijne bewerking kapt deze 'haren' vervolgens af. Dit voorkomt dat het hout na het aanbrengen van lak of beits weer ruw aanvoelt en garandeert een blijvend glad resultaat. Controle gebeurt met strijklicht. Een methode waarbij schaduwwerking elke resterende imperfectie genadeloos onthult voordat de definitieve afwerklaag wordt aangebracht.
Het resultaat van het schuurproces wordt primair bepaald door de korrelgrootte van het gebruikte schuurmiddel. Men maakt onderscheid tussen grof, middel en fijn geschuurd hout. Grof geschuurd hout (korrel P40 tot P80) is bedoeld voor het verwijderen van lijmresten, diepe krassen of machinefouten uit de schaverij. Het oppervlak is dan wel vlak, maar de schuurkrassen zijn met het blote oog nog zichtbaar. Fijn geschuurd hout (P120 tot P180) is de industriestandaard voor regulier timmerwerk en kozijnen die dekkend geschilderd worden. Voor transparante afwerkingen of meubelwerk wordt vaak doorgegaan tot P240 of hoger. Bij deze fijnere gradaties verdwijnt de visuele textuur van de bewerking volledig en ontstaat een zijdezacht oppervlak.
In de houthandel en industrie spreekt men vaak van breedbandschuren. Dit is een proces waarbij platen of balken door een stationaire machine worden gevoerd voor een volkomen vlak en maatvast resultaat. Het dient vaak als kalibratie: het hout krijgt over de gehele lengte exact dezelfde dikte. Handschuren blijft echter noodzakelijk voor geprofileerde onderdelen zoals architaven, kraalprofielen of complexe verbindingen waar een machine de contouren zou vlakslijpen.
Een specifieke variant is het tussentijds schuren. Dit vindt plaats nadat een eerste grondlaag of beits is aangebracht. De houtvezels zwellen op door het vocht in de verf en gaan rechtstaan. Door deze 'haartjes' met een zeer fijne korrel of een schuurpad weg te nemen, wordt de volgende laklaag pas echt spiegelglad. Dit wordt ook wel het 'koppen' van het hout genoemd.
Schuren is niet hetzelfde als schaven, al lijken de doelen op elkaar. Waar een schaafmachine spanen afsnijdt met een beitel, gebruikt een schuurmachine de abrasieve werking van korrels om materiaal te verspanen. Er bestaat ook geborsteld hout. Dit is de functionele tegenpool. Bij borstelen verwijdert men juist de zachte vroeghout-vezels om de nerfstructuur te accentueren, terwijl schuren alles nivelleert tot één vlak niveau.
| Term | Kenmerk | Toepassing |
|---|---|---|
| Gekalibreerd hout | Uiterst nauwkeurige dikte | Plaatmaterialen, parketvloeren |
| Gepolijst hout | Extreem fijne korrel (>P400) | Hoogglans afwerking, exclusieve meubels |
| Kantgeschuurd | Enkel de zijden behandeld | Zichtwerk bij constructiebalken |
Soms wordt de term 'schuurvrij' gebruikt voor hout dat door zeer scherp schaafwerk al een hoge glansgraad heeft. Toch blijft voor een optimale hechting van moderne laksystemen een lichte mechanische opruwing (schuren) in de praktijk bijna altijd de voorgeschreven norm.
Stofvrij. Spiegelglad. Een massief eiken tafelblad vormt het ultieme praktijkvoorbeeld. Na het verlijmen van de verschillende lamellen zijn er vaak minieme hoogteverschillen merkbaar. Een vakman haalt eerst de grove oneffenheden weg met een bandschuurmachine, maar het echte werk begint daarna. Door met de rug van de hand over het hout te glijden, voelt men direct waar de vezels nog 'haken'. Pas wanneer de fijne korrel P240 is gepasseerd, verdwijnt de weerstand volledig. Een vergeten plekje valt direct op zodra de eerste laag olie wordt aangebracht; het hout zuigt daar meer vloeistof op en kleurt donkerder, wat een vlekkerig resultaat geeft dat alleen door opnieuw te schuren hersteld kan worden.
Bij de productie van houten kozijnen zie je het verschil tussen machinaal en handmatig werk. De lange stijlen komen vaak al geschuurd uit de fabriek, maar de hoekverbindingen vormen een uitdaging. Hier komen kopshout en langshout samen. In de bouw zie je de schilder vaak met een schuurblokje de scherpe kanten breken. Dit heet het afronden van de kanten. Het zorgt ervoor dat de laklaag op de hoeken niet te dun wordt, aangezien verf de neiging heeft om van scherpe punten weg te vloeien. Een goed geschuurd kozijn voelt aan de randen niet scherp, maar subtiel afgerond aan, wat de duurzaamheid van het schilderwerk aanzienlijk verlengt.
Denk aan een oude visgraatvloer die na jarenlang gebruik weer tot leven wordt gewekt. De parketteur gebruikt een zware walsschuurmachine voor het grote vlak. Je ziet het hout transformeren van een grijze, doffe massa naar een frisse, lichte plank. Het venijn zit in de details. Langs de plinten komt een kantenschuurmachine aan te pas. Als de zon laag door de ramen naar binnen schijnt, wordt elke fout zichtbaar. Een cirkelvormig krasje van de machine lijkt in het strijklicht plotseling op een diepe geul. Daarom eindigt de vakman altijd met de nerf mee, handmatig, om die laatste machinefoutjes weg te poetsen voordat de laklaag de vloer definitief verzegelt.
De visuele en fysieke gesteldheid van geschuurd hout is binnen de Europese regelgeving vastgelegd in de norm NEN-EN 942. Deze norm classificeert hout voor timmerwerk in verschillende kwaliteitsklassen, zoals J2, J5 en J10. De getallen verwijzen hierbij naar de maximale grootte van toelaatbare onvolkomenheden. Schuren speelt een sleutelrol bij het bereiken van deze klassen. Voor klasse J2, de hoogste standaard, is een nagenoeg perfecte afwerking vereist waarbij schuursporen of machinefouten niet zichtbaar mogen zijn na het aanbrengen van de eindlaag. De norm stelt geen specifieke korrelgrootte voor, maar dicteert het esthetische eindresultaat. Fabrikanten moeten hun processen hierop afstemmen.
Bij de levering van geveltimmerwerk onder het KOMO-keurmerk gelden aanvullende eisen via de relevante Beoordelingsrichtlijnen (BRL). Hierin staat vaak expliciet dat het oppervlak vrij moet zijn van loszittende houtvezels om de hechting van verfsystemen te waarborgen. Slecht geschuurd hout leidt tot een lagere laagdikte van de verf op de opstaande vezels, wat de onderhoudsinterval negatief beïnvloedt.
Het proces van hout schuren is streng gereguleerd vanwege de gezondheidsrisico's van houtstof. De Arbowet classificeert stof van hardhout, zoals eiken en beuken, als kankerverwekkend. Er gelden strikte grenswaarden voor de maximale concentratie stofdeeltjes in de ademlucht. Werkgevers zijn verplicht om bronafzuiging toe te passen op stationaire en handmatige schuurmachines. De NEN-EN 12779 specificeert de veiligheidseisen voor vaste afzuiginstallaties in houtbewerkingsbedrijven.
In de praktijk betekent dit dat geschuurd hout in een professionele setting nooit zonder effectieve stofbeheersing geproduceerd mag worden. Voor de vakman op de bouwplaats schrijft de Inspectie SZW het gebruik van minimaal een klasse M-stofzuiger voor in combinatie met schuurgereedschap. Het overslaan van deze regels is niet alleen een risico voor de gezondheid, maar kan ook leiden tot directe stillegging van de werkzaamheden. Stofvrij werken is de norm.
Gladmaken is van alle tijden. Vroeger was het brute kracht. De middeleeuwse meubelmaker kende geen schuurpapier zoals wij dat nu gebruiken. Men greep naar de natuur. Haaienhuid, ook wel roggenvel genoemd, was een geliefd middel voor het bewerken van harde houtsoorten vanwege de scherpe, natuurlijke tandjes. Voor het fijnere werk gebruikte men puimsteen of gedroogde paardenstaart (Equisetum), een plant met een hoog siliciumgehalte die als een natuurlijk fijn schuurmiddel fungeerde. Hard werken. Spierpijn gegarandeerd.
De dertiende eeuw in China bracht de eerste gedocumenteerde vorm van 'schuurpapier'. Vermalen schelpen en zand werden met natuurlijke gom op perkament geplakt. In Europa bleef men echter lang hangen bij het afschrapen van hout met glasscherven of stalen schraapstaal. Pas in 1833 startte de industriële productie van schuurpapier op grote schaal, toen Isaac Fischer patent kreeg op een machine die schuurkorrels op papier kon aanbrengen. Glaspapier. Dat was de standaard. Het werkte goed, maar de korrels lieten snel los onder druk.
De twintigste eeuw bracht de echte technologische sprong. Synthetische korrels zoals aluminiumoxide en siliciumcarbide. Deze zijn harder en constanter van vorm dan natuurlijk zand of glas. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde de schaal door de introductie van de breedbandschuurmachine in de houtindustrie. Handmatig schaven werd vervangen door machinaal kalibreren. Een enorme efficiëntieslag. Waar vroeger een leger aan leerlingen nodig was om een tafelblad spiegelglad te krijgen, klaart de machine dat nu in seconden. De focus verschoof van het fysieke proces naar het beheersen van de korrelopbouw en stofbeheersing.