De reductie van de steenhoogte vindt plaats door een mechanische of handmatige ingreep op de horizontale as. Bij handmatig kloven plaatst de vakman de steen op een stabiele, vaak licht verende ondergrond. Een sabel, een breed en plat slagwerktuig, wordt exact op de gewenste hoogte tegen de zijkant gepositioneerd. Eén enkele, trefzekere klap met de hamer moet de steen over de volledige lengte doen splijten. Dit vergt gevoel voor de structuur van de klei. Niet elke steen leent zich voor deze traditionele methode; harde strengpersstenen vertonen vaak grillige breuklijnen die de beoogde lagenmaat verstoren.
In de hedendaagse bouwpraktijk regeert de precisie van de watergekoelde zaagtafel. De steen wordt in een geleider geplaatst en langs een diamantblad gevoerd. Dit resulteert in een snaarstrak snijvlak zonder de karakteristieke ruwheid van een gekloofd exemplaar. Het resultaat is een element dat qua lengte en breedte identiek blijft aan de rest van de partij, maar waarvan de hoogte exact is afgestemd op de resterende ruimte in het metselverband. Soms ontstaan er uit één bewerking twee bruikbare dunne stenen, maar vaker wordt er naar een specifieke restmaat toegewerkt.
| Kenmerk | Handmatig kloven | Machinaal zagen |
|---|---|---|
| Gereedschap | Sabel en moker | Diamantzaag |
| Afwerking | Rustiek en onregelmatig | Strak en maatvast |
| Toepassing | Restauratie en traditioneel werk | Nieuwbouw en strak voegwerk |
Het schiften gebeurt meestal op de bouwplaats zelf. Direct inspelend op de behoefte van het opgaande werk. De resterende 'schil' of de dunnere steen wordt vervolgens in het mortelbed geplaatst. De metselaar besteedt hierbij extra aandacht aan de hechting. Het contactoppervlak is door de bewerking immers veranderd van structuur, wat invloed heeft op de zuiging van de steen. Het aanpassen van de mortelconsistentie is soms noodzakelijk om een duurzame verbinding met de omliggende lagen te waarborgen.
Maatvoering wringt. De noodzaak voor een geschifte steen ontstaat doorgaans uit een conflict tussen de theoretische lagenmaat en de fysieke werkelijkheid van het bouwwerk. Wanneer de optelsom van baksteen en voeg niet strookt met de onwrikbare hoogte van een latei, raamdorpel of vloeraansluiting, moet de metselaar improviseren om het gevelveld sluitend te krijgen, wat vaak resulteert in een element dat over de lengteas moet worden gereduceerd omdat de restmaat simpelweg niet overeenkomt met een standaardformaat. Vaak een gevolg van cumulatieve afwijkingen in de dikte van de bakstenen of een rekenfout in de lagenmaatverdeling over de totale gevelhoogte. Een noodgreep voor esthetische continuïteit.
De gevolgen reiken verder dan alleen het visuele aspect. Natuurlijk onderbreekt een afwijkende steenhoogte de horizontale regelmaat van de gevel, wat zeker bij strak metselwerk direct de aandacht trekt. Fysisch gezien verandert de ingreep de eigenschappen van de steen fundamenteel. Door het zagen of kloven wordt de dichte 'huid' verwijderd en komt de poreuze kern bloot te liggen, waardoor de capillaire werking en de initiële wateropname (IW-waarde) plotseling stijgen en de steen veel agressiever water aan de vers aangebrachte mortel onttrekt dan de omliggende onbewerkte exemplaren. Dit verstoort de hydratatie van het cement. De uiteindelijke hechtsterkte tussen steen en voeg neemt af.
In de kern onderscheiden we twee verschijningsvormen die elk een eigen esthetiek en verwerkingswijze dicteren. De gezaagde variant is tegenwoordig de standaard. Maatvast. Kil. Hierbij wordt met een diamantzaag een exact aantal millimeters van de onder- of bovenzijde verwijderd om een knellende lagenmaat te forceren. Het resultaat is een steen met een industrieel uiterlijk die naadloos opgaat in strak gevelwerk, mits de zaagsnede naar de binnenzijde van het metselwerk wordt gekeerd.
Daartegenover staat de gekloofde steen. Deze variant, vaak aangeduid als een ambachtelijk platstuk, ontstaat door de steen met een sabel en moker te splijten. De breuklijn volgt de natuurlijke aders van de klei. Grillig en onvoorspelbaar. In de restauratiesector is dit de geprefereerde methode omdat de breukstructuur beter aansluit bij historisch metselwerk dan het steriele vlak van een zaagsnede. Hoewel de term vaak voor beide wordt gebruikt, bepaalt de bewerking of de steen als 'correctiestuk' dan wel als 'esthetisch element' fungeert.
De geschifte steen wordt in de praktijk regelmatig verward met andere inkortingen, terwijl de oriëntatie van de snede fundamenteel verschilt. De volgende scheidslijnen zijn essentieel voor een correcte bestelling of werkinstructie:
Soms valt de term schil. Een schil is feitelijk een uiterst dun geschifte steen, vaak niet dikker dan 15 tot 20 millimeter, die wordt ingezet wanneer de resterende ruimte voor een latei of rollaag minimaal is. Het is een uiterste noodgreep. Fragiel. Vaak moet dergelijk dun materiaal met speciale mortels of lijmen worden bevestigd omdat de traditionele metselspecie onvoldoende houvast biedt op het beperkte, gladde oppervlak.
De laatste laag onder een stalen latei weigert vaak te schikken naar de theoretische lagenmaat. Er resteert slechts 35 millimeter ruimte terwijl de baksteen 50 millimeter hoog is. Een modderige voeg van 15 millimeter extra? Uitgesloten. Hier biedt de geschifte steen uitkomst. Met de watergekoelde zaagtafel wordt de benodigde hoogte direct op de steiger uit de volle steen gehaald. Het gevelbeeld loopt optisch ongestoord door. Niemand ziet de ingreep.
Hardstenen dorpels liggen onverbiddelijk vast. Soms zakt een dorpel tijdens montage net een fractie teveel door of is de stelruimte verkeerd ingeschat. In plaats van de lintvoeg over de volledige gevelbreedte op te dikken, wat de strakke lijn zou breken, kiest de vakman voor het schiften van de stenen direct onder de dorpel. Subtiel. Een noodgreep voor precisie waarbij de aangepaste steen fungeert als pasmunt voor de resterende millimeters.
Een monumentale muur met grillige, historische lintvoegen vraagt om een andere aanpak dan nieuwbouw. Bij herstelwerkzaamheden blijken de nieuwe bakstenen soms te dominant in de rollaag. De sabel komt eraan te pas. Door de steen handmatig te kloven in plaats van te zagen, ontstaat een breukvlak dat de natuurlijke variatie van het oude werk nabootst. Geen steriele zaagsnede. Karakter. De geschifte steen gaat hier volledig op in het antieke metselverband.
Constructieve integriteit is geen rekbaar begrip. De wet is onverbiddelijk. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt de fundamentele eisen aan de stabiliteit en veiligheid van gevelconstructies. Een geschifte steen wijzigt de geometrie van een gecertificeerd bouwproduct. Dat heeft gevolgen. NEN-EN 1996-1-1, de Eurocode voor metselwerk, dicteert de rekenregels voor de draagkracht van wanden. Hierbij speelt de hoogte-breedteverhouding van de individuele steen een rol bij het bepalen van de druksterkte van het totale metselwerkverband. Maatvoering op de grens van de wet.
Certificering wringt bij bewerking. Bakstenen worden geleverd onder de BRL 1007 met een bijbehorende Prestatieverklaring (DoP). Zodra de zaag het keramiek raakt, vervalt strikt genomen de fabrieksgarantie op de producteigenschappen. De uitvoerder wordt verantwoordelijk. Hij moet aantonen dat de resterende schil nog steeds voldoet aan de eisen voor vorstbestendigheid en mechanische weerstand. In de restauratiepraktijk gelden vaak aanvullende richtlijnen vanuit de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM). Hierbij wordt de balans gezocht tussen het behoud van historisch gevelbeeld en de moderne eisen aan de constructieve samenhang van het metselwerk.
De term 'schiften' vindt zijn oorsprong in het Middelnederlandse sciften, wat simpelweg verdelen of scheiden betekent. In de tijd van het traditionele handvormproces was geen enkele baksteen identiek. Variaties in kleisamenstelling en de grillige hitte in veldovens zorgden voor aanzienlijke verschillen in steenhoogte. De metselaar moest improviseren. Handwerk pur sang. Met een sabel en een moker werd de steen in de lengterichting gekloofd om de lintvoeg op gelijke hoogte te houden bij lastige aansluitingen rondom boogconstructies of kraagstenen.
Met de opkomst van de industriële baksteenfabricage in de 19e eeuw nam de maatvastheid toe, maar de behoefte aan hoogtecorrectie bleef bestaan. Architectonische ambities groeiden. Meer details. Complexere rollagen. De introductie van de watergekoelde zaagtafel in de 20e eeuw markeert de grootste omslag in de geschiedenis van de geschifte steen. De zaag verving de sabel. Precisie nam de plaats in van intuïtie. Wat ooit een ambachtelijke noodgreep was met een karakteristiek breukvlak, verwerd tot een strakke, technische oplossing voor aansluitingen bij stalen lateien en moderne prefab elementen. De focus verschoof gaandeweg van het 'passend maken' door de meester-metselaar naar het voldoen aan strikte normen voor druksterkte en vorstbestendigheid binnen een gereguleerde bouwsector.
Joostdevree | Timmermanvacature | Encyclo | Forums.invantive | Calculatie-programma