De realisatie van een gepotdekselde wand vangt aan bij de achterliggende draagstructuur. Verticale regels vormen hier de basis voor zowel de fysieke bevestiging als de noodzakelijke ventilatiespouw. Lucht moet vrij kunnen circuleren achter de bekleding. Men start de montage steevast aan de onderzijde van de gevel. Een startprofiel of een dunne vulstrook zorgt hierbij voor de correcte initiële hellingshoek van de eerste plank, zodat de kenmerkende schuinte direct wordt vastgelegd. De opvolgende stroken worden vervolgens trapsgewijs omhoog gewerkt.
Elke plank dekt de bovenzijde van de ondergelegen strook af over een specifieke afstand. Fixatie vindt plaats met mechanische middelen die doorgaans net boven de overlap worden gepositioneerd. Men hanteert hierbij vaak één enkel bevestigingspunt per kruising met de verticale regel. Deze specifieke techniek biedt het materiaal — zeker bij hout — de nodige ruimte om te krimpen of uit te zetten zonder dat er spanningen ontstaan die leiden tot scheurvorming of vervorming. Bij de aansluitingen rondom gevelopeningen en op de hoeken van het bouwwerk zorgen verticale profielen of nauwkeurige verstekverbindingen voor de visuele en technische afsluiting van de constructieve schil.
Niet elke overlappende plank is hetzelfde. Verre van. De zuivere, traditionele vorm van potdekselen werkt met rechte, vaak ruwgezaagde planken zonder enige vorm van profilering. Dit is de rauwe boerderijstijl. De onderste plank staat hierbij simpelweg een fractie verder naar buiten dan de bovenliggende strook, enkel gedragen door de dikte van het materiaal zelf. Eenvoudig. Doeltreffend. Maar ook kwetsbaar voor kieren wanneer het hout gaat werken.
Tegenover deze klassieke methode staat het Zweeds rabat. Dit is technisch gezien de populairste variant in de hedendaagse bouw. Deze planken hebben een taps toelopende vorm — een vellingkant — en zijn aan de achterzijde voorzien van een uitsparing of sponning. Hierdoor vallen de delen deels over én in elkaar. Het resultaat? Een dichte wand die minder gevoelig is voor tocht en ongedierte, terwijl de kenmerkende schuine look behouden blijft. Men spreekt hier ook wel van potdekselprofielplanken. Een subtiel verschil met het Engels rabat, dat vaak een rondere afwerking heeft en een minder steile overlap vertoont.
Hout blijft de standaard. Douglas en Lariks zijn de hardlopers vanwege hun natuurlijke duurzaamheid en robuuste vlamtekening. Voor wie een strakkere afwerking wenst, is thermisch gemodificeerd hout een optie. Stabiel. Donkerder van kleur. Maar de techniek beperkt zich allang niet meer tot de zagerij.
Vezelcementstroken winnen terrein. Merken als Cedral hebben deze markt veroverd met stroken die de textuur van hout nabootsen, maar de nadelen van rotting en schilderwerk elimineren. Ook kunststof (vaak onder de noemer Keralit) en composiet worden veelvuldig toegepast. Deze systemen maken vaak gebruik van onzichtbare clips in plaats van nagels. Het oogt als potdekselwerk, maar de technische uitvoering volgt de regels van systeemmontage. Staalplaten met een potdekselprofiel zien we hoofdzakelijk in de industriebouw en bij grote loodsen; hierbij wordt de overlap in de walsing van de plaat zelf verwerkt om grote oppervlakken snel waterdicht te krijgen.
Er ontstaat vaak verwarring tussen potdekselen en regulier rabat. Het onderscheid is fundamenteel. Bij standaard rabatwerk liggen de planken in één vlak door een messing-en-groefverbinding. Het resultaat is een vlakke wand zonder reliëf. Potdekselen draait daarentegen altijd om de stapeling. De schuine stand is essentieel voor de waterafvoer en de schaduwwerking.
Een zwarte kapschuur in het buitengebied vormt het schoolvoorbeeld. Hierbij zijn ruwgezaagde douglas planken horizontaal over elkaar heen gespijkerd, waarbij de forse overlap van circa drie centimeter zorgt voor een diepe schaduwwerking en een ongevoeligheid voor krimpscheuren. De wind heeft vrij spel achter de planken dankzij de verticale rachels, terwijl regenwater simpelweg van plank naar plank naar beneden klettert.
In een moderne woonwijk zie je vaak de strakkere variant. Een tuinkantoor bekleed met grijs gespoten Zweeds rabat. De planken lijken schuin te staan, maar door de gefreesde sponning aan de onderzijde vallen ze exact in elkaar. Dit voorkomt doorkijk bij extreme droogte en geeft een veel strakker lijnenpatroon dan de traditionele methode. Het is functioneel design op de vierkante meter.
Bij de renovatie van topgevels bij rijtjeswoningen uit de jaren '70 wordt tegenwoordig vaak gekozen voor vezelcementstroken in potdekselformatie. De bewoner wil de karakteristieke uitstraling van hout, maar past voor het schilderwerk op grote hoogte. Deze stroken worden met blinde bevestigingsclips gemonteerd. Het resultaat is van een afstand niet te onderscheiden van klassiek timmerwerk, maar technisch gezien is het een onderhoudsvrij gevelsysteem geworden. Staalplaten met een gepotdekseld profiel zie je terug bij grootschalige opslagloodsen; hele wanden worden in één beweging waterdicht bekleed met platen die de vorm van overlappende planken in hun walsprofiel hebben meegekregen.
Hout brandt. Dat is de realiteit waar de wetgever strenge regels aan verbindt. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt specifieke eisen aan de brandklasse van gevelbekleding, waarbij de norm NEN-EN 13501-1 leidend is voor de classificatie. Voor de meeste gevels van woningen volstaat brandklasse D, maar zodra een gebouw hoger is of de afstand tot de perceelsgrens minimaal, wordt de soep heter gegeten. Dan is brandklasse B vaak de ondergrens.
Wie kiest voor onbehandeld vuren of douglas in een gepotdekselde configuratie, haalt die klasse B meestal niet zonder chemische brandvertragers. Let op de brandoverslag. De berekening van de brandwerendheid van de gevel is essentieel bij het aanvragen van een omgevingsvergunning. Bij vezelcement of metalen varianten is dit risico nihil, aangezien deze materialen vaak al in klasse A1 of A2 vallen. Onbrandbaar dus. Een geruststellende gedachte voor de verzekeraar.
Niet elk stuk hout mag zomaar de gevel op. Kwaliteitseisen voor naaldhout zijn vastgelegd in NEN 5461. Dit gaat over noesten, scheuren en de algemene mechanische eigenschappen van de plank. Voor de uitvoering van het geveltimmerwerk zelf biedt de praktijkrichtlijn NPR 8052 belangrijke handvatten. Het gaat hierbij vooral over de juiste detaillering om inwateren te voorkomen.
De ventilatiespouw is een harde eis in de constructieve voorschriften. Zonder goede luchtstroom achter de gepotdekselde delen ontstaat er condensatie, wat leidt tot schimmel en houtrot. De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) dwingt aannemers bovendien om aan te tonen dat de gevel voldoet aan de gestelde isolatiewaarden en waterdichtheid. CE-markering op de toegepaste geveldelen is verplicht; het is het bewijs dat het materiaal voldoet aan de Europese geharmoniseerde normen voor gevelbekleding (NEN-EN 14915).
Potdekselen vindt zijn oorsprong niet in de architectuur, maar op het water. De techniek is direct afgeleid van de overnaadse scheepsbouw, waarbij de huidplanken van een schip elkaar overlapten om de romp onder spanning waterdicht te houden. Op het droge bleek dit principe ideaal voor gevels. Vooral in kustregio’s en polderlandschappen zoals de Zaanstreek en Zeeland werd deze bouwwijze in de 17e en 18e eeuw de standaard voor molens, pakhuizen en boerenschuren. Het was een nuchtere oplossing voor een technisch probleem: verticale naden in hout lieten bij harde wind regenwater door, terwijl de horizontale overlap het water simpelweg naar buiten dwong.
De industriële revolutie bracht verandering in de uitvoering. Dankzij door wind en later stoom aangedreven houtzaagmolens konden timmerlieden beschikken over planken met een constante dikte en breedte. Voorheen was men afhankelijk van wat de boomstam dicteerde. In de 19e eeuw werd het gebruik van koolteer gebruikelijk om het zachthout te beschermen tegen houtrot, wat de basis legde voor de iconische zwarte uitstraling die we vandaag nog steeds associëren met traditioneel potdekselwerk.
In de loop van de 20e eeuw evolueerde de techniek van ruwe, over elkaar gespijkerde planken naar verfijnde profielsystemen. De introductie van het Zweeds rabat markeerde een belangrijke technische verschuiving. Door een sponning in het hout te frezen, konden de planken niet alleen over elkaar vallen, maar ook in elkaar grijpen. Dit verbeterde de winddichtheid aanzienlijk. Tegenwoordig is de historische noodzaak van waterwering deels overgenomen door moderne folies en spouwconstructies, waardoor potdekselen is getransformeerd van een puur constructieve noodzaak naar een gewaardeerd esthetisch stijlelement.