De integratie van geluidsisolerende ventilatie begint bij de positionering in de bouwschil, waarbij units vaak direct op het glaspakket, achter een kalf of in een bouwkundige sparing boven het kozijn worden geplaatst. Een luchtdichte montage vormt hierbij de basis. Luchtlekken fungeren immers als geluidslekken. Tijdens de installatie wordt de behuizing mechanisch gefixeerd, waarna de aansluitingen met de gevelconstructie zorgvuldig worden afgedicht met compriband of akoestische kit om flankerende geluidsoverdracht via de constructie te voorkomen.
Binnen de unit wordt de luchtstroom door een specifiek traject geleid. Dit traject is bekleed met absorberende materialen zoals opencellig schuim of minerale wol. De geluidsgolven worden gedwongen herhaaldelijk te reflecteren tegen deze absorberende wanden, waardoor de geluidsenergie per reflectie afneemt. Bij actieve systemen met een mechanische toevoer vindt tevens een ontkoppeling van de ventilatormotor plaats. Trillingsisolatoren voorkomen dat motorgeluid via de behuizing de binnenruimte bereikt. De uitvoering eindigt vaak met het inregelen van het debiet; een balans tussen de benodigde ventilatiecapaciteit en de maximaal toelaatbare luchtsnelheid in de dempingssectie om zelfgenererend geruis te vermijden.
De markt voor geluidsisolerende ventilatie is divers. Waar de ene oplossing subtiel in het kozijn verdwijnt, eist de andere een brute, bouwkundige ingreep in het metselwerk op om de gewenste decibelreductie te forceren. De keuze voor een specifiek type wordt gedicteerd door de geluidsbelasting (Lden) op de gevel en de esthetische eisen van het ontwerp.
Een cruciaal onderscheid moet worden gemaakt tussen passieve en actieve systemen. Passieve units vertrouwen op natuurlijke trek of mechanische afzuiging elders in de woning. Actieve varianten, ook wel sussen met mechanische toevoer genoemd, bevatten een eigen ventilator. Verwar geluidsisolerende ventilatie overigens niet met standaard ventilatieroosters; een echt isolerend systeem heeft een geteste Dne,w-waarde die de prestaties van een regulier rooster ver overstijgt. Het gaat hier niet om een beetje demping, maar om een berekende barrière tegen lawaai.
Stel je een nieuwbouwappartement voor pal naast een drukke ringweg. De vrachtwagens razen voorbij. Je ziet aan de buitenzijde van de gevel, net boven het kozijn, een smalle metalen kap die subtiel wegvalt in de schaduw van de rollaag. Dit is de inlaatzijde van een suskast. Binnen in de woonkamer merk je het effect direct. Ondanks de verkeersdrukte buiten heerst er een serene rust. Geen geraas, geen gebrom. Alleen een nauwelijks waarneembare luchtstroom die via de binnenzijde van het kozijn de ruimte in komt.
Een ander scenario tref je vaak bij renovaties van monumentale panden aan een tramlijn. Kozijnroosters zijn hier esthetisch ongewenst. De oplossing? Een geluiddempende muurdoorvoer. Een stevige cilinder boort zich door de dikke bakstenen muur, gevuld met een labyrint van akoestisch schuim. Aan de buitenkant zie je slechts een klein, onopvallend rooster. Binnen wordt de opening afgewerkt met een strakke designplaat. Het snerpende geluid van de tramrails wordt volledig geabsorbeerd door de wanden van de buis voordat het de slaapkamer bereikt. Effectief en onzichtbaar.
In een kantooromgeving zie je vaak de actieve variant. Een unit die niet alleen dempt, maar ook mechanisch lucht naar binnen trekt. De ventilatormotor hangt in trillingsdempers. Geen resonantie in de constructie. Je staat er vlakbij en hoort niets, terwijl de CO2-meter in de ruimte keurig op groen blijft staan. Dat is de kracht van een goed ingeregeld systeem. Stilte door techniek.
De regels zijn onverbiddelijk. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) dicteert een minimale toevoer van verse lucht per persoon of per vierkante meter, maar stelt tegelijkertijd strikte grenzen aan de binnenniveaus van omgevingslawaai. Lucht versus geluid. Bij nieuwbouw of ingrijpende renovatie langs een drukke rijksweg of spoorlijn botst de ventilatie-eis vaak met de Wet geluidhinder. De karakteristieke geluidwering van de gevel, de beruchte Ga,k-waarde, moet voldoende hoog zijn om het binnenklimaat te beschermen. Een standaard ventilatierooster faalt hier nagenoeg altijd. Het resultaat? Een juridische en technische noodzaak voor geluidsisolerende voorzieningen die voldoen aan de genormeerde debieten zonder de geluidsisolatie-index om zeep te helpen.
Installatiegeluid is een ander heikel punt in de regelgeving. Een mechanisch ventilatiesysteem met suskast mag in verblijfsgebieden niet meer dan 30 dB(A) produceren. Stilte is een recht. Dit dwingt fabrikanten en installateurs tot het nauwkeurig berekenen van de eigenruis van ventilatie-units. Geen gezoem. Geen geruis. Alleen de noodzakelijke luchtverversing binnen de kaders van de wet.
Hoe bepaal je of een suskast daadwerkelijk doet wat hij belooft? De NEN 5077 is hier de bijbel voor de bouwfysicus. Deze norm omschrijft de bepalingsmethoden voor de geluidwering van gevels en de geluidniveaus in ruimten. Voor de specifieke prestatie van de ventilatie-unit zelf wordt gekeken naar de Dn,e,w-waarde, bepaald volgens de NEN-EN-ISO 717-1. Dit getal geeft de gewogen genormaliseerde geluidisolatie van kleine bouwelementen aan. Hoe hoger de waarde, hoe stiller de kamer.
Het gaat niet alleen om de unit. De montage telt. Een onjuiste aansluiting die niet voldoet aan de luchtdichtheidseisen van het BBL resulteert direct in een verslechtering van de akoestische prestaties. Flankerende geluidsoverdracht via de constructie moet worden uitgesloten om aan de gestelde eisen in het handhavingsprotocol te voldoen. Meetrapporten van erkende laboratoria zijn vaak vereist om aan te tonen dat de gekozen oplossing in de praktijk ook echt die 40 of 50 decibel tegenhoudt.
De noodzaak voor geluidsisolerende ventilatie ontstond niet uit luxe, maar uit wetgeving. Vóór de jaren zeventig was ventilatie synoniem aan infiltratie of eenvoudige schuifroosters. Lawaai was een bijkomstigheid. Dat veranderde radicaal met de introductie van de Wet geluidhinder in 1979. Plotseling telde elke decibel langs de rijksweg. Architecten kampten met een fysiek conflict: de eis voor verse lucht versus de eis voor stilte. De eerste generatie suskasten was verre van subtiel. Het waren vaak lompe, houten opbouwkasten, volgestopt met dikke lagen minerale wol die puur op massa en eenvoudige absorptie vertrouwden. Pragmatisme won het toen nog van esthetiek.
In de jaren tachtig en negentig verschoof de focus naar engineering. De 'suskast' transformeerde van een houten kist naar een technisch component van aluminium en kunststof. Fabrikanten introduceerden complexe labyrintstructuren. Geluidsgolven werden gedwongen tot meervoudige reflecties. Elke botsing betekende energieverlies. Geen rechte lijn meer. De integratie in het kozijnprofiel werd de nieuwe standaard, waarbij de unit steeds vaker onzichtbaar achter de gevelsteen of in de spouw verdween. Wat begon als een noodoplossing voor woningen pal aan het spoor, groeide uit tot een integraal onderdeel van de stedelijke bouwfysica.
Met de strengere isolatie-eisen en de komst van BENG veranderde de rol van de passieve suskast opnieuw. Woningen werden luchtdicht. Natuurlijke toevoer via de gevel werd vaker gecombineerd met mechanische componenten. De opkomst van de actieve sushut is hier het resultaat van. Kleine, stille ventilatormotoren in de unit zorgen voor gegarandeerd debiet, terwijl akoestische filters het motorgeluid en het buitenlawaai elimineren. De simpele opening in de muur is een high-tech filter geworden. Stilte als bouwsteen.