Het proces start doorgaans met een bureauonderzoek in de archieven van de gemeente of de eigenaar. Tekeningen en oude berekeningen bieden een eerste kader. Op locatie wordt de theoretische kennis getoetst aan de praktijk door middel van een fysieke inspectieput. Men graaft handmatig of machinaal een gat langs de gevel tot onder het funderingsniveau. Zo worden de funderingsvoet, de paalkoppen of de houten kespen zichtbaar voor inspectie. Modderig werk dat direct resultaat levert. Tegelijkertijd vindt er een lintvoegwaterpassing plaats. Hierbij wordt het verloop van de horizontale voegen in het metselwerk gemeten om de mate van zetting of scheefstand objectief vast te stellen.
Vaak is aanvullend geotechnisch onderzoek noodzakelijk. Een sondeerwagen drukt een kegelvormige punt met sensoren de bodem in om de weerstand van de verschillende grondlagen te meten. Deze sonderingen zijn cruciaal om te begrijpen of de dragende laag nog voldoende steun biedt aan de constructie. Bij houten palen worden vaak monsters genomen voor microscopisch onderzoek in het laboratorium. Bacteriële aantasting of schimmelvorming wordt hier gedetailleerd vastgesteld. Terwijl de inspectieput inzicht geeft in de directe fysieke staat van de materialen, wordt door middel van nauwkeurige scheefstandsmetingen bepaald hoe het gebouw zich gedurende de afgelopen decennia ten opzichte van het maaiveld heeft bewogen. Al deze gegevens, van de gemeten scheefstand tot de staat van het hout of beton, vloeien samen in een technische analyse. De resulterende rapportage categoriseert de fundering meestal in een bepaalde kwaliteitsklasse met een bijbehorende indicatie van de verwachte resterende levensduur.
Niet elke scheur vraagt om een graafmachine. Het type onderzoek hangt nauw samen met de onderliggende constructie. Bij houten paalfunderingen ligt de focus op biologische degradatie. Men onderzoekt specifiek op schimmels door droogstand of bacteriële aantasting onder de grondwaterspiegel. Een fundering op staal — waarbij de muren direct op de zand- of kleilaag rusten — vergt een compleet andere benadering. Hierbij telt vooral de draagkracht van de bodemlagen en de aanwezigheid van samendrukbare lagen zoals veen. De fysieke inspectie richt zich dan op de breedte van de funderingsvoet en de diepte van de aanleg.
| Type onderzoek | Focuspunt | Toepassing |
|---|---|---|
| Houtonderzoek | Schimmels en bacteriën | Houten paalfunderingen (voor 1970) |
| Betoninspectie | Carbonatatie en chloriden | Betonpalen en strokenfunderingen |
| Onderzoek op staal | Grondspanning en zetting | Niet-onderheide gebouwen |
| Hydrologisch onderzoek | Grondwaterfluctuaties | Gebieden met wisselende waterstanden |
Men maakt vaak onderscheid tussen een indicatief onderzoek en een volledig onderzoek conform de F3O-richtlijn. De F3O-normering is de standaard in Nederland voor het beoordelen van de technische staat van houten paalfunderingen. Een quickscan is vaak slechts een archiefstudie gecombineerd met een visuele inspectie boven het maaiveld. Soms volstaat dat. Meestal niet. Een volledig onderzoek mondt uit in een kwaliteitsklasse (Klasse I t/m IV), waarbij Klasse IV duidt op een zeer korte resterende levensduur.
Funderingsonderzoek wordt regelmatig verward met een puur geotechnisch onderzoek. Hoewel een sondeerwagen vaak onderdeel is van het proces, is sonderen slechts een middel om de bodemweerstand te meten. Het funderingsonderzoek kijkt breder: het integreert de bodemgegevens met de bouwkundige staat van het object. Ook de term 'nulmeting' duikt vaak op. Een nulmeting is echter slechts een momentopname van de huidige scheurvorming, vaak uitgevoerd vóór nabijgelegen bouwwerkzaamheden, terwijl een funderingsonderzoek de oorzaak en de toekomstverwachting van de fundering zelf analyseert.
Een negentiende-eeuws herenhuis in een binnenstad vertoont plotseling klemmende deuren op de bovenverdieping. De eigenaar plant een dakopbouw. Een inspectieput onthult dat de houten paalkoppen deels boven de grondwaterspiegel uitsteken. Het onderzoek toont zachte plekken in het hout aan; schimmelvreat. De rapportage wijst uit dat de resterende levensduur minder dan vijf jaar bedraagt, waardoor funderingsherstel noodzakelijk is voordat de extra verdieping kan worden geplaatst.
In een polderlandschap rust een naoorlogse woning direct op de klei, een zogenaamde fundering op staal. Na een extreem droge zomer ontstaan er diagonale scheuren in de zijgevel. Een lintvoegwaterpassing maakt de scheefstand inzichtelijk: de achtergevel is drie centimeter dieper weggezakt dan de voorgevel. De geotechnicus concludeert na een sondering dat de uitgedroogde kleilaag is ingeklonken. Hier biedt het onderzoek uitsluitsel over de vraag of de zetting is gestabiliseerd of dat de bodem nog steeds in beweging is.
Bij de transformatie van een oude industriële hal naar lofts is de belasting op de vloeren een cruciaal punt. Men graaft op strategische plekken de betonvoet bloot. Er worden boorkernen genomen om de druksterkte van het aanwezige beton uit de jaren vijftig te testen. In combinatie met de oorspronkelijke archieftekeningen bepaalt de constructeur of de bestaande poeren de nieuwe staalconstructie kunnen dragen zonder dat er nieuwe heimachines aan te pas hoeven te komen. Soms is de praktijk weerbarstiger dan de tekening.
Niet de scheuren, maar de wet bepaalt de ondergrens van wat acceptabel is. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) legt de fundamentele eisen voor constructieve veiligheid vast; een eigenaar heeft de expliciete zorgplicht om te voorkomen dat een gebouw een gevaar vormt voor de omgeving. Funderingsonderzoek dient hierbij als de technische bewijsvoering. Vaak dwingt de Omgevingswet een dergelijk onderzoek af op het moment dat er een vergunning wordt aangevraagd voor een verbouwing waarbij de belasting op de ondergrond wijzigt. Geen rapport, geen bouw.
De technische uitwerking volgt paden zoals de NEN 8707, die specifiek ingaat op het geotechnisch beoordelen van de veiligheid van bestaande constructies. Het is de maatstaf voor constructeurs die verder kijken dan de bouwtekening. Voor houten funderingen is de F3O-richtlijn het leidende protocol. Dit document zorgt voor een uniforme beoordeling van de staat van de palen en de funderingshoutconstructie, wat essentieel is voor de objectieve bepaling van de resterende levensduur. Lokale overheden kunnen via de eigen funderingsverordening aanvullende regels stellen. Zeker in gebieden met complexe bodemdaling waar de collectieve veiligheid in het geding is.
Vóór de twintigste eeuw was funderingsonderzoek zelden een proactieve discipline. Men vertrouwde op empirische kennis; hout was de norm. Heipalen van vuren of grenen verdwenen in de bodem en zolang het grondwaterpeil stabiel bleef, was er geen reden tot zorg. Pas met de grootschalige stedelijke uitbreidingen en de introductie van moderne bemalingstechnieken in de negentiende en twintigste eeuw veranderde de noodzaak. De onzichtbare onderkant van de stad werd plotseling een bron van onzekerheid. Houtrot door droogstand werd een structureel probleem.
De technische diepgang van het onderzoek schoof mee met de materiaalkennis. Tot diep in de jaren zeventig bleven de methoden beperkt tot incidentele visuele inspecties. Het besef dat microbiologische aantasting — bacteriën die onder water het hout aanvreten — een factor was, zorgde voor een kantelpunt. Men moest dieper kijken. Niet alleen met het blote oog, maar met de microscoop. De introductie van de sondeerwagen in de jaren dertig door de toenmalige Grondmechanica Dienst in Delft gaf constructeurs voor het eerst de middelen om de bodemopbouw kwantitatief in kaart te brengen, zonder direct te hoeven graven.
De hedendaagse onderzoekspraktijk kristalliseerde pas echt rond de eeuwwisseling. In 2004 leidde de toenemende chaos in interpretaties van schadegevallen tot de oprichting van de richtlijn Funderingsonderzoek Op Orde (F3O). Deze standaardisatie was cruciaal. Het veranderde de sector van een versnipperd veld van individuele experts naar een gestructureerde discipline met vaste kwaliteitsklassen. Waar onderzoek vroeger een reactie was op een instortende gevel, is het nu een integraal onderdeel van risicobeheer bij stedelijke herontwikkeling. Het bureauonderzoek werd digitaal, de inspectieput bleef handwerk.
Joostdevree | Vandijktech | Bijn | Woningherstel | Quattro-expertise | Rotterdam | Restauratiefonds | Allnamics | Martinecoevert | Funderingsherstel-amsterdam