Bij de uitvoering is de exacte maatvoering vanaf de rooilijn bepalend voor het grondwerk. Er wordt een uitgraving gemaakt die diep genoeg is om vorstinwerking te neutraliseren, waarna een stabiel draagvlak wordt gecreëerd. Het prefab element wordt met een kraan gepositioneerd via de meegegoten hijsankers. Nauwkeurige uitlijning is hierbij cruciaal. Terwijl het blok zakt, stuurt men bij op basis van stramienlijnen en peilmaten. Een bouwlaser controleert de horizontale vlakheid. Ligt het blok niet zuiver, dan volgt correctie van de ondergrond. Zodra de positie definitief is, wordt de ruimte rondom het beton opgevuld met zand en mechanisch verdicht. Dit voorkomt zijdelingse verschuivingen onder belasting. De overdracht van de puntlast vanuit de bovenbouw vindt uiteindelijk plaats via de boutverbindingen of doken die in de aanwezige sparingen worden verankerd.
Maatvoering is grillig. Van handzame blokjes van 30x30 cm tot metersbrede elementen die alleen met een zware telekraan te verzetten zijn. Het onderscheid zit hem vaak in de inwendige structuur. Onverwoestbaar gewapend beton voor de industrie. Simpel ongewapend beton voor de particuliere tuinmuur. Een funderingsblok wordt regelmatig verward met een betonpoer. Dit is een veelvoorkomende misvatting. Waar een poer vaak slank is en boven het maaiveld uitsteekt voor de esthetiek, is het funderingsblok de robuuste, brede drager die volledig ondergronds blijft.
| Type variant | Kenmerkend aspect | Typische toepassing |
|---|---|---|
| Trapeziumblok | Brede basis, smalle kop | Zware puntlasten bij beperkte ruimte |
| Asymmetrisch blok | Excentrische gewichtsverdeling | Geluidsschermen met eenzijdige winddruk |
| Sparingblok | Voorzien van centrale koker | Naderhand instorten van masten of palen |
| Gecoat blok | Bitumineuze beschermlaag | Zure veengronden of zoute kustgebieden |
De geometrie dicteert de functie. Massieve kubusvormen zijn de standaard, maar voetplaten met een flensvorm winnen terrein bij projecten waar materiaalbesparing telt. Sommige fabrikanten leveren blokken met geïntegreerde ankerrails. Dit vergemakkelijkt de montage van staalconstructies enorm. Geen gaten boren. Geen chemische ankers. Gewoon vastbouten en klaar. Voor tijdelijke constructies bestaan er zelfs stapelbare varianten met nokken, vergelijkbaar met betonlego, die na gebruik weer opgegraven en hergebruikt kunnen worden. Betonsterktes variëren hierbij van de gangbare C20/25 tot de hoogwaardige C35/45 voor zware infraprojecten.
In de dagelijkse bouwpraktijk kom je het funderingsblok overal tegen, vaak onzichtbaar onder het maaiveld. Stel je een moderne houten overkapping voor in een particuliere tuin. De hovenier graaft vier gaten op de hoekpunten. Geen gedoe met betonmixers. Hij laat vier prefab blokken zakken op een bed van stabiel zand. De kolommen worden direct gemonteerd. Snelheid is hier de winst.
Bij de inrichting van een bedrijventerrein is de situatie anders. Een zware stalen trap naar een entresolvloer moet geplaatst worden. De bestaande betonvloer kan de puntlast niet dragen. De oplossing? Een funderingsblok onder de vloer. Men zaagt de vloer in, plaatst het blok op de vaste bank en stort het geheel weer aan. De trap staat als een huis. Geen verzakking mogelijk.
Langs de rijksweg zie je ze ook. Bij tijdelijke verkeersportalen of cameramasten. De kraanwagen zet de blokken neer. De mast wordt vastgebout. Klaar. Zodra de wegwerkzaamheden voorbij zijn, worden de blokken simpelweg weer opgegraven. Hergebruik pur sang. Een duurzame keuze die bovendien tijd bespaart op de bouwplaats.
Veiligheid is geen suggestie maar een wettelijke plicht. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) vormt de basis voor alle constructieve eisen waaraan een funderingsblok moet voldoen. De hoofdeis? Een bouwwerk mag niet bezwijken. Voor de berekening van de draagkracht van de ondergrond en het blok zelf grijpt de constructeur naar de Eurocodes. NEN-EN 1997 (Eurocode 7) is hierbij leidend voor het geotechnische ontwerp. Het bepaalt hoe de drukverdeling naar de bodem plaatsvindt. Geen nattevingerwerk. De afmetingen van het blok volgen direct uit de sonderingsgegevens van de locatie.
Niet alleen de vorm, ook de samenstelling telt. Beton is onderhevig aan degradatie door omgevingsfactoren. NEN-EN 206-1, samen met de Nederlandse invulling NEN 8005, stelt eisen aan de milieuklasse van het beton. Omdat een funderingsblok constant in contact staat met de bodem en grondwater, is een juiste dekking op de wapening en de juiste betonkwaliteit essentieel om corrosie te voorkomen. Vaak wordt minimaal milieuklasse XC2 of XC4 voorgeschreven. Voor infra-toepassingen langs wegen gelden soms nog strengere eisen in verband met dooizouten.
De diepte van de aanleg is eveneens aan regels gebonden. Vorstvrije aanleg. In Nederland hanteren we hiervoor meestal een onderkant van minimaal 800 mm onder het maaiveld. Dit voorkomt dat opvriezende grond het blok omhoog drukt. Bij lichte constructies in de particuliere sector wordt hier soms van afgeweken, maar voor vergunningsplichtige bouwwerken is dit een harde voorwaarde. Indien een funderingsblok tevens dient als basis voor de elektrische aarding van een installatie, komt de NEN 1010 om de hoek kijken. De verbinding tussen de wapening en het aardnet moet dan aan specifieke continuïteitseisen voldoen.
Vlakke natuurstenen onder houten stutten. Dat was de kiem. In de vroege bouwkunst fungeerden deze stenen simpelweg als barrière tegen optrekkend vocht en om het wegzakken van stijlen in de zachte bodem te vertragen. Geen complexe berekeningen. Puur op ervaring gebaseerd. De Romeinen professionaliseerden dit principe met de introductie van opus caementicium, een vroege vorm van beton, waarmee ze massieve voetstukken goten voor hun monumentale bouwwerken.
De industriële revolutie bracht Portlandcement. Dit veranderde alles. Ineens was het mogelijk om op grote schaal homogene blokken te vervaardigen die veel hogere drukbelastingen aankonden dan natuursteen. Tot halverwege de 20e eeuw bleef het echter gebruikelijk om deze blokken direct op de bouwplaats te storten. Bekistingen timmeren. Beton mixen. Wachten op uitharding. Een tijdrovend proces dat de voortgang van de bovenbouw stagneerde. De naoorlogse wederopbouw eiste echter snelheid en industrialisatie. Prefabricage werd de norm.
Vanaf de jaren zestig verschoof de productie van de modderige bouwplaats naar de gecontroleerde omgeving van de betonfabriek. Constante kwaliteit. Voorspelbare sterkte. De evolutie stopte niet bij de vorm. Waar de eerste blokken massieve ongewapende klompen beton waren, dwongen strengere veiligheidseisen en de introductie van de Eurocodes tot technische verfijning. Wapening werd standaard voor zwaardere toepassingen. De laatste decennia zien we een sterke focus op montagegemak met geïntegreerde hijsvoorzieningen en schroefhulzen, gedreven door Arbo-wetgeving en de behoefte aan modulaire, herbruikbare constructies binnen de circulaire bouweconomie.