De realisatie van een faunapassage begint bij de integratie van de constructie in het civieltechnische ontwerp van de infrastructuur, waarbij de bouwmethode sterk afhankelijk is van het type passage en de lokale bodemgesteldheid. Bij tunnels voor kleine fauna worden vaak geprefabriceerde betonnen elementen met een rechthoekige of ronde doorsnede onder de rijbaan of het spoor geperst of in een open ontgraving geplaatst. Het proces vraagt precisie.
Bij grootschalige ecoducten wordt een robuuste draagconstructie opgetrokken, meestal bestaande uit landhoofden en tussensteunpunten van gewapend beton waarop liggers of boogsegmenten rusten. Deze structuur moet het gewicht van een aanzienlijk pakket grond en volgroeide vegetatie kunnen dragen. De overgang tussen het kunstwerk en het omliggende landschap is hierbij een cruciaal aandachtspunt. Men brengt op de constructie vaak een waterdichte laag aan, gevolgd door drainagesystemen om de waterhuishouding van de bovenliggende natuurzone te reguleren. De inrichting op de passage varieert per doelsoort.
De effectiviteit van de passage staat of valt met de inrichting van de toegangszones en de binnenzijde van de constructie. Men past de volgende elementen vaak toe in de praktijk:
Bij natte passages, zoals bij de kruising van een watergang, worden vaak looprichels boven de gemiddelde waterlijn gemonteerd om de doorgang voor landdieren te garanderen terwijl de waterafvoer ongehinderd blijft. De aansluiting van taluds op de tunnelmonden moet naadloos zijn. Het gaat om continuïteit. Men creëert een visuele en fysieke eenheid tussen de passage en de omliggende natuurlijke omgeving om de drempel voor dieren te minimaliseren.
Maatwerk regeert in de ecologische infrastructuur. Afhankelijk van de doelsoort — van de tengere kamsalamander tot het robuuste edelhert — varieert de dimensie van een koker van dertig centimeter tot een imposant viaduct van wel vijftig meter breed. Ecoducten, ook wel natuurbruggen genoemd, vormen de meest prominente variant. Deze bovengrondse passages zijn specifiek ontworpen voor groot wild en verbinden versnipperde bos- of heidegebieden. Vaak verwart men de term natuurbrug met een regulier viaduct, maar het cruciale verschil zit in de volledige inrichting met substraat en vegetatie; een natuurbrug is een doodlopende weg voor voertuigen maar een snelweg voor biodiversiteit.
Onder het wegdek vinden we de faunatunnels. Deze categorie is breed:
Niet elke passage is een fysieke tunnel of brug. Een faunaduiker combineert hydraulische functies met ecologische doelen. Hierbij wordt een reguliere waterduiker voorzien van een looprichel of 'banket'. Dit is een droge strook boven de waterlijn waarover kleine zoogdieren veilig de oversteek maken. Voor vissen zijn er specifieke vismigratievoorzieningen zoals vistrappen of deurbel-systemen bij sluizen, die barrières in het watersysteem opheffen.
Luchtgebonden fauna vraagt om een geheel andere benadering. De hop-over is hier een technisch-biologisch buitenbeentje. Geen constructie van beton, maar een configuratie van hoge boomkronen aan weerszijden van de weg. Vleermuizen gebruiken deze opgaande begroeiing als navigatiepunt om met voldoende hoogte de weg over te steken, waardoor ze buiten het bereik van het verkeer blijven. Soms spreekt men van een boombrug: een fysieke kabel of constructie boven de weg voor eekhoorns of slaapmuizen. De termen worden vaak door elkaar gebruikt, maar de functie — het herstellen van een vlieg- of klimroute — blijft identiek.
In de praktijk ziet men steeds vaker combi-passages. Hierbij deelt de natuur de ruimte met menselijke activiteiten. Een groot viaduct kan bijvoorbeeld aan de ene zijde een fietspad herbergen, terwijl de andere zijde is ingericht als volwaardige groenzone met stobbenwallen. Het onderscheid met een zuiver ecoduct is de fysieke scheiding; schermen of dichte hagen moeten de dieren afschermen van menselijke verstoring. Zonder deze scheiding faalt de passage voor schuwe soorten zoals de ree of het edelhert.
Een pas aangelegde provinciale weg doorsnijdt een eeuwenoude route van dassen tussen hun burcht en het maïsveld. In de berm staan donkere, kunststof geleidewanden van een halve meter hoog. Deze wanden dwingen de das onverbiddelijk richting een betonbuis met een diameter van 400 millimeter die onder het asfalt doorloopt. De das gebruikt de koker instinctief. Geen aanrijdingen meer. De populatie blijft vitaal.
Boven de rijksweg in een bosrijk gebied prijkt een massieve betonnen boogconstructie. Geen auto te bekennen. Op het dek ligt een pakket teelaarde van dertig centimeter dik, begroeid met heide en struweel. Een ree staat aan de rand van de bosschage en kijkt naar de diepte waar het verkeer raast. Beschut door een strategisch geplaatste wand van dode wortelstokken — een stobbenwal — steekt het dier de weg over. Voor de fauna is de snelweg hier niets meer dan een passage in het landschap.
Bij de renovatie van een gemetselde brug over een brede sloot monteert de aannemer een stalen roostervloer tegen de binnenwand, vlak boven de waterlijn. Dit is het banket. Terwijl het water ongehinderd door de duiker stroomt, trippelt een otter over de droge richel naar de andere kant. Hij hoeft de weg niet op. Een relatief goedkope ingreep voorkomt hier dat een zeldzaam zoogdier onder een vrachtwagen eindigt.
Langs een nieuwe randweg staan aan weerszijden volwassen eiken die de kruinen bijna raken. Dit is de hop-over. Vleermuizen navigeren op deze opgaande begroeiing met hun echolocatie. Ze stijgen op bij de boomgrens en kruisen de weg op veilige hoogte, ver boven de passerende auto's. De infrastructuur vormt zo geen barrière meer voor hun jachtroute.
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is het juridisch landschap voor de aanleg van faunapassages fundamenteel gewijzigd. De oude Wet natuurbescherming is opgegaan in dit nieuwe stelsel. Centraal staat de specifieke zorgplicht. Wie infrastructuur aanlegt, moet nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen. Dat is een harde verplichting. Het realiseren van een passage is hierbij vaak geen keuze, maar een noodzakelijke mitigerende maatregel om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verkrijgen. De wet eist dat de staat van instandhouding van beschermde soorten niet in gevaar komt door versnippering. Geen passage betekent vaak simpelweg geen weg.
Natura 2000-gebieden verzwaren de juridische druk aanzienlijk. Projecten die dergelijke gebieden doorkruisen, moeten voldoen aan de strikte instandhoudingsdoelstellingen uit de geldende beheerplannen. Hierbij fungeert de faunapassage als juridisch instrument om de ecologische samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) te waarborgen. Handhaving vindt plaats op basis van de effectiviteit van de gekozen oplossing.
Hoewel de wet de noodzaak dicteert, bepalen richtlijnen de technische uitwerking. CROW-publicatie 318, de Leidraad Faunavoorzieningen bij Infrastructuur, geldt in de Nederlandse infrasector als de vigerende standaard. Het is geen wet in formele zin. Toch is het document bijna altijd contractueel bindend in RAW-bestekken of Design & Construct-contracten. Deze leidraad geeft de minimale afmetingen aan per doelsoort. Een tunnel voor een das vraagt immers om andere specificaties dan een verbinding voor een boommarter. Maatvoering is cruciaal voor de acceptatie door het dier.
Constructief moeten deze kunstwerken voldoen aan de Eurocodes voor civieltechnische constructies, specifiek NEN-EN 1991 en NEN-EN 1992. Dit is essentieel bij ecoducten. De enorme belasting van het grondpakket en de vegetatie stelt hoge eisen aan de draagconstructie van gewapend beton. Veiligheid en natuur gaan hier hand in hand. Voor de inrichting van natte passages en vismigratievoorzieningen wordt daarnaast vaak aangesloten bij de normen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze Europese richtlijn verplicht lidstaten om barrières voor vissen op te heffen. Het niet voldoen aan deze normen kan leiden tot forse boetes vanuit Brussel.
Vroege wegenbouw negeerde de natuurlijke loop. Wegen vormden harde grenzen. Pas in de jaren vijftig en zestig doken de eerste wildoversteekplaatsen op in Frankrijk en Duitsland, destijds nog primair gedreven door jachtbelangen om wildpopulaties voor de afschot vitaal te houden. In de jaren zeventig kantelde dit perspectief. De ecologische wetenschap introduceerde het concept van landschapsversnippering. Nederland zette in 1988 een internationale standaard met de bouw van ecoduct Woeste Hoeve over de A50. Het was het startsein voor een nieuwe discipline binnen de civiele techniek. Van toevallige bijproducten — zoals een waterduiker die incidenteel door een das werd gebruikt — naar specifiek ontworpen assets.
De grote versnelling kwam rond de eeuwwisseling. Het Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO), dat tussen 2005 en 2018 werd uitgevoerd, transformeerde de Nederlandse infrastructuur. Het was een breuk met het verleden. Voorheen waren faunapassages losse projecten. Door het MJPO werden ze een integraal onderdeel van het assetmanagement van Rijkswaterstaat en ProRail. Honderden knelpunten werden technisch opgelost. De methodiek verschoof van eenvoudige betonbuizen naar complexe, landschappelijk ingepaste constructies waarbij ook de hydrologie en bodemgesteldheid werden meegenomen in het civieltechnische ontwerp. De techniek van prefabricage maakte de weg vrij voor gestandaardiseerde amfibieëntunnels, waardoor de kosten daalden en de implementatiesnelheid toenam. Wat begon als een noodgreep voor groot wild, evolueerde tot een fijnmazig netwerk voor microfauna.
Joostdevree | Anw.ivdnt | En.wikipedia | Wegenwiki | Da.wikipedia | Hbatotaal | Synbiosys.alterra | Gegolfdstaal | Barneveld.bestuurlijkeinformatie | Neologismen.ivdnt | Bouwadaptief | Movares | Mainroads.wa.gov