Het proces start bij de vormgeving van de kleimassa. Door middel van persen of gieten krijgt de klei zijn definitieve gedaante als tegel of vormstuk. Na een zorgvuldige droogfase volgt de eerste stookgang. Deze biscuitbrand vindt plaats bij temperaturen rond de 900 tot 1000 graden Celsius. De scherf wordt hierdoor hard en hanteerbaar, maar behoudt een hoge porositeit. Dit is essentieel.
De poreuze biscuit wordt vervolgens ondergedompeld in een vloeibare suspensie van lood- en tinoxiden. Het water in dit mengsel trekt direct in de droge klei. Een poederachtige, witte laag blijft achter op het oppervlak. Eventuele decoraties worden direct op dit ongebakken glazuur aangebracht; de pigmenten dringen diep in de poederlaag door waardoor correcties onmogelijk zijn. De tweede stookgang, de gladbrand, transformeert de doffe laag. De metaaloxiden versmelten tot een ondoorzichtige, glasachtige huid. Chemische verbindingen tussen de scherf en het glazuur creëren de karakteristieke hechting. Het resultaat is een versmolten geheel. Glad, glanzend en volledig waterdicht aan de voorzijde.
De grens tussen verschillende soorten aardewerk is historisch gezien flinterdun. Majolica geldt vaak als de directe voorloper. Bij majolica is de scherf meestal wat grover en werd de achterzijde van tegels of schotels vaak met een goedkoop, transparant loodglazuur afgewerkt in plaats van het kostbare witte tinglazuur. Faience is de verfijning hiervan. In de Lage Landen spreken we al snel over Delfts blauw of plateel. Dit is technisch gezien faience van de hoogste kwaliteit. De bakscherf werd zo dun mogelijk gemaakt om de fragiele uitstraling van Chinees porselein te imiteren. Een knap staaltje industriële spionage uit de zeventiende eeuw. In Frankrijk bleef de term faience dominant, terwijl men in Engeland vaker spreekt over tin-glazed earthenware.
Faience versus porselein. Een wereld van verschil onder de oppervlakte. Porselein is door en door verglaasd, nagenoeg ongevoelig voor vocht en vaak enigszins lichtdoorlatend. Faience niet. De kern blijft poreus. Tik je tegen een faience tegel, dan hoor je een doffe klank; porselein geeft een heldere ping.
In de moderne bouw wordt faience soms verward met porcellanato wandtegels die een 'handgebakken' look hebben. Trap er niet in. Modern keramiek mist de craquelé-vorming en de zachte glans die zo typerend is voor de echte tin-geglazuurde scherf. Faience leeft. Het werkt. Het vertoont na verloop van tijd minuscule haarscheurtjes in het glazuur. Dat is geen gebrek, maar een materiaaleigen kenmerk.
Stel je de restauratie voor van een monumentale keuken in een historisch grachtenpand. De wanden zijn bekleed met de iconische 'witjes'. Dit zijn handgevormde faience tegels waarbij de witte tinglazuurlaag de soms wat grove, gelige klei eronder volledig maskeert. De tiler merkt direct het verschil met modern keramiek. Bij het op maat maken splintert de glazuurlaag sneller door de spanning tussen de harde glaslaag en de zachte, poreuze scherf. Een rustige hand en een scherp snijwieltje zijn hierbij onontbeerlijk.
In een eigentijds interieurontwerp wordt vaak gezocht naar de diepe, zachte glans die alleen tinoxide kan bieden. Een spatwand achter een wastafelmeubel uitgevoerd in faience geeft een heel andere lichtreflectie dan een standaard fabrieksmatige wandtegel. Het oppervlak 'leeft'. Kleine variaties in de dikte van het glazuur zorgen voor subtiele kleurnuances. Maar let op de beperkingen. Een installateur zal nooit adviseren om deze tegels op een vloer te leggen. De mechanische belasting van loopverkeer zou de fragiele glazuurhuid binnen de kortste keren doen barsten of afslijten.
Tijdens een bouwkundige opname kom je een oude schouw tegen. Is het porselein of faience? De inspecteur tikt voorzichtig met een nagel tegen het oppervlak. De klank is dof, bijna aards. Dat wijst op de poreuze kern van faience. Bij een kleine beschadiging aan de rand is de 'scherf' zichtbaar; een roodachtige of grijze kleimassa die scherp contrasteert met de spierwitte toplaag. Ook de aanwezigheid van craquelé — een fijn netwerk van haarscheurtjes — is een weggever. Dit ontstaat door de verschillende uitzettingscoëfficiënten van de klei en het glazuur tijdens de jarenlange blootstelling aan temperatuurwisselingen.
De normatieve basis voor het toepassen van keramische wandtegels ligt verankerd in NEN-EN 14411. Hierin worden tegels geclassificeerd op basis van hun wateropnamevermogen en de productiemethode, waarbij faience doorgaans in groep BIII valt. Wateropname boven de 10 procent. Dit is een kritieke grenswaarde. Het bepaalt direct waarom faience ongeschikt is voor buitentoepassingen; vorst zou de poreuze scherf onherstelbaar beschadigen door uitzetting van ingesloten vocht. De Europese Verordening Bouwproducten (CPR) vereist bovendien dat alle keramische tegels die permanent in bouwwerken worden verwerkt, voorzien zijn van een CE-markering. Een prestatieverklaring (DoP) is hierbij essentieel. Deze documentatie geeft uitsluitsel over de brandreactie — meestal klasse A1 — en de afgifte van gevaarlijke stoffen zoals lood en cadmium, stoffen die historisch gezien nauw verbonden zijn met de glazuursamenstelling van tinglazuur-aardewerk.
Bij werkzaamheden aan rijksmonumenten is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van kracht, wat betekent dat voor het wijzigen of herstellen van historisch tegelwerk vaak een omgevingsvergunning vereist is. Behoud gaat voor vernieuwing. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hanteert uitvoeringsvoorschriften voor de conservering en restauratie van faience en plateel. Inspectie op hechting. Gebruik van kalkmortels in plaats van harde cementlijmen. Het gaat om chemische compatibiliteit. Een te sterke lijm kan de zachte scherf van een antieke tegel bij thermische spanning kapot trekken. In vochtige ruimtes binnen utiliteitsbouw moeten de wandafwerkingen voldoen aan specifieke hygiëne-eisen, waarbij de ondoorlaatbare glazuurlaag van faience technisch voldoet, mits de voegen conform de geldende richtlijnen waterdicht zijn afgewerkt.
Joostdevree | Nl.wikipedia | Encyclo | En.wikipedia | Scribd | Novoceram | Wikidata | Shuttle-storage.s3.amazonaws | Wipo