Faïence

Laatst bijgewerkt: 14-01-2026


Definitie

Een poreus type aardewerk dat door een ondoorzichtige, meestal witte tinglazuurlaag waterdicht wordt gemaakt en een karakteristiek glanzend uiterlijk verkrijgt.

Omschrijving

Faience is in de kern gebakken klei. Niets meer, niets minder. Maar de magie zit in de afwerking. De poreuze scherf wordt na een eerste bakgang overgoten met een vloeibaar mengsel van lood- en tinglazuur. Dit tinoxide zorgt voor de witheid. Het camoufleert de vaak roodachtige of gelige kleur van de klei volledig. Historisch gezien was dit dé manier om het peperdure Chinese porselein te imiteren zonder de benodigde kaolienklei. De stad Faenza gaf de techniek haar naam, maar op de Nederlandse bouwplaats kennen we het vooral van de wandtegels die een ruimte direct een ambachtelijke uitstraling geven. Het materiaal is zachter dan modern porcellanato. Dat heeft consequenties voor de toepassing, want faience is een typisch wandproduct dat zich niet laat lenen voor zware belasting of intensief loopverkeer. Het glazuur ligt er als een glasachtige huid bovenop. Kwetsbaar voor mechanische schade, maar onverslaanbaar in esthetiek en hygiëne.

Productieproces en techniek

Vorming en de biscuitbrand

Het proces start bij de vormgeving van de kleimassa. Door middel van persen of gieten krijgt de klei zijn definitieve gedaante als tegel of vormstuk. Na een zorgvuldige droogfase volgt de eerste stookgang. Deze biscuitbrand vindt plaats bij temperaturen rond de 900 tot 1000 graden Celsius. De scherf wordt hierdoor hard en hanteerbaar, maar behoudt een hoge porositeit. Dit is essentieel.

Glazuren en de 'grand feu'

De poreuze biscuit wordt vervolgens ondergedompeld in een vloeibare suspensie van lood- en tinoxiden. Het water in dit mengsel trekt direct in de droge klei. Een poederachtige, witte laag blijft achter op het oppervlak. Eventuele decoraties worden direct op dit ongebakken glazuur aangebracht; de pigmenten dringen diep in de poederlaag door waardoor correcties onmogelijk zijn. De tweede stookgang, de gladbrand, transformeert de doffe laag. De metaaloxiden versmelten tot een ondoorzichtige, glasachtige huid. Chemische verbindingen tussen de scherf en het glazuur creëren de karakteristieke hechting. Het resultaat is een versmolten geheel. Glad, glanzend en volledig waterdicht aan de voorzijde.


Regionale varianten en terminologie

Majolica, faience en Delftware

De grens tussen verschillende soorten aardewerk is historisch gezien flinterdun. Majolica geldt vaak als de directe voorloper. Bij majolica is de scherf meestal wat grover en werd de achterzijde van tegels of schotels vaak met een goedkoop, transparant loodglazuur afgewerkt in plaats van het kostbare witte tinglazuur. Faience is de verfijning hiervan. In de Lage Landen spreken we al snel over Delfts blauw of plateel. Dit is technisch gezien faience van de hoogste kwaliteit. De bakscherf werd zo dun mogelijk gemaakt om de fragiele uitstraling van Chinees porselein te imiteren. Een knap staaltje industriële spionage uit de zeventiende eeuw. In Frankrijk bleef de term faience dominant, terwijl men in Engeland vaker spreekt over tin-glazed earthenware.


Onderscheid met andere keramische materialen

Faience versus porselein. Een wereld van verschil onder de oppervlakte. Porselein is door en door verglaasd, nagenoeg ongevoelig voor vocht en vaak enigszins lichtdoorlatend. Faience niet. De kern blijft poreus. Tik je tegen een faience tegel, dan hoor je een doffe klank; porselein geeft een heldere ping.

Andere verwante types

  • Gres: Veel harder en op hogere temperaturen gebakken dan faience. Gres is waterdicht van zichzelf, terwijl faience volledig afhankelijk is van zijn glazuurhuid.
  • Terracotta: De meest basale vorm. Ongeglazuurd en roodbakkend. Faience is in essentie terracotta met een 'jasje' van tinoxide.
  • Creamware: Een later antwoord op de kwetsbaarheid van faience. Creamware (of faience fine) gebruikt een andere kleisamenstelling waardoor het sterker is en geen ondoorzichtig wit glazuur nodig heeft om de kleur van de klei te maskeren.

In de moderne bouw wordt faience soms verward met porcellanato wandtegels die een 'handgebakken' look hebben. Trap er niet in. Modern keramiek mist de craquelé-vorming en de zachte glans die zo typerend is voor de echte tin-geglazuurde scherf. Faience leeft. Het werkt. Het vertoont na verloop van tijd minuscule haarscheurtjes in het glazuur. Dat is geen gebrek, maar een materiaaleigen kenmerk.


Faience in de praktijk

Stel je de restauratie voor van een monumentale keuken in een historisch grachtenpand. De wanden zijn bekleed met de iconische 'witjes'. Dit zijn handgevormde faience tegels waarbij de witte tinglazuurlaag de soms wat grove, gelige klei eronder volledig maskeert. De tiler merkt direct het verschil met modern keramiek. Bij het op maat maken splintert de glazuurlaag sneller door de spanning tussen de harde glaslaag en de zachte, poreuze scherf. Een rustige hand en een scherp snijwieltje zijn hierbij onontbeerlijk.

Esthetische keuzes in de badkamer

In een eigentijds interieurontwerp wordt vaak gezocht naar de diepe, zachte glans die alleen tinoxide kan bieden. Een spatwand achter een wastafelmeubel uitgevoerd in faience geeft een heel andere lichtreflectie dan een standaard fabrieksmatige wandtegel. Het oppervlak 'leeft'. Kleine variaties in de dikte van het glazuur zorgen voor subtiele kleurnuances. Maar let op de beperkingen. Een installateur zal nooit adviseren om deze tegels op een vloer te leggen. De mechanische belasting van loopverkeer zou de fragiele glazuurhuid binnen de kortste keren doen barsten of afslijten.

Herkenning bij inspectie

Tijdens een bouwkundige opname kom je een oude schouw tegen. Is het porselein of faience? De inspecteur tikt voorzichtig met een nagel tegen het oppervlak. De klank is dof, bijna aards. Dat wijst op de poreuze kern van faience. Bij een kleine beschadiging aan de rand is de 'scherf' zichtbaar; een roodachtige of grijze kleimassa die scherp contrasteert met de spierwitte toplaag. Ook de aanwezigheid van craquelé — een fijn netwerk van haarscheurtjes — is een weggever. Dit ontstaat door de verschillende uitzettingscoëfficiënten van de klei en het glazuur tijdens de jarenlange blootstelling aan temperatuurwisselingen.


Normering en technische classificatie

De normatieve basis voor het toepassen van keramische wandtegels ligt verankerd in NEN-EN 14411. Hierin worden tegels geclassificeerd op basis van hun wateropnamevermogen en de productiemethode, waarbij faience doorgaans in groep BIII valt. Wateropname boven de 10 procent. Dit is een kritieke grenswaarde. Het bepaalt direct waarom faience ongeschikt is voor buitentoepassingen; vorst zou de poreuze scherf onherstelbaar beschadigen door uitzetting van ingesloten vocht. De Europese Verordening Bouwproducten (CPR) vereist bovendien dat alle keramische tegels die permanent in bouwwerken worden verwerkt, voorzien zijn van een CE-markering. Een prestatieverklaring (DoP) is hierbij essentieel. Deze documentatie geeft uitsluitsel over de brandreactie — meestal klasse A1 — en de afgifte van gevaarlijke stoffen zoals lood en cadmium, stoffen die historisch gezien nauw verbonden zijn met de glazuursamenstelling van tinglazuur-aardewerk.


Restauratie en monumentale kaders

Bij werkzaamheden aan rijksmonumenten is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van kracht, wat betekent dat voor het wijzigen of herstellen van historisch tegelwerk vaak een omgevingsvergunning vereist is. Behoud gaat voor vernieuwing. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hanteert uitvoeringsvoorschriften voor de conservering en restauratie van faience en plateel. Inspectie op hechting. Gebruik van kalkmortels in plaats van harde cementlijmen. Het gaat om chemische compatibiliteit. Een te sterke lijm kan de zachte scherf van een antieke tegel bij thermische spanning kapot trekken. In vochtige ruimtes binnen utiliteitsbouw moeten de wandafwerkingen voldoen aan specifieke hygiëne-eisen, waarbij de ondoorlaatbare glazuurlaag van faience technisch voldoet, mits de voegen conform de geldende richtlijnen waterdicht zijn afgewerkt.


De technologische opmars vanuit het Oosten

De wortels van de faience-techniek liggen in het negende-eeuwse Mesopotamië. Pottenbakkers zochten naar een methode om het kostbare Chinese porselein na te bootsen zonder over de juiste grondstoffen te beschikken. De ontdekking was even simpel als geniaal: het toevoegen van tinoxide aan een loodglazuur maakte de laag ondoorzichtig wit. Deze innovatie reisde via de islamitische wereld naar het Iberisch schiereiland. Hier ontstond het bekende Spaans-Moorse aardewerk. De handel via het eiland Mallorca gaf de techniek de naam majolica, een term die nog steeds nauw verweven is met de vroege historie van het materiaal. In de vijftiende eeuw werd de Italiaanse stad Faenza het belangrijkste productiecentrum. De Fransen namen de naam van deze stad over voor het product. Zo werd faience de internationale standaardterm voor tinglazuur-aardewerk.

Van Antwerpen naar de Delftse bloeiperiode

In de zestiende eeuw verspreidde de techniek zich naar het noorden. Italiaanse ambachtslieden vestigden zich in Antwerpen en brachten de kennis van polychroom aardewerk mee. Door de politieke onrust in de Spaanse Nederlanden trokken veel van deze vaklieden naar steden als Haarlem en Delft. De zeventiende eeuw markeerde het absolute hoogtepunt. Toen de aanvoer van Chinees porselein door burgeroorlogen stokte, sprongen de Delftse plateelbakkers in het gat. Ze verfijnden de techniek tot het uiterste. De bakscherf werd dunner, het wit helderder. Faience veranderde van serviesgoed in een essentieel architectonisch onderdeel. Wanden van keukens, kelders en schouwen in burgerwoningen werden bekleed met tienduizenden 'witjes'. Deze tegels boden niet alleen esthetiek, maar ook een ongekende hygiëne in een tijd waarin muren vaak vochtig en lastig schoon te houden waren.

Industriële druk en architectonische overleving

De achttiende eeuw bracht een kantelpunt. In Engeland ontwikkelde Josiah Wedgwood het zogenaamde creamware, een sterker en goedkoper alternatief dat geen ondoorzichtig glazuur nodig had. Dit betekende de commerciële doodsteek voor veel traditionele faience-ateliers. Maar het materiaal verdween niet uit de bouw. Tijdens de negentiende eeuw zorgde de industriële revolutie voor een heropleving in de vorm van architecturale keramiek. Fabrikanten produceerden op grote schaal faience-elementen voor gevels en interieurs van openbare gebouwen. De Art Nouveau-architecten waardeerden de diepe kleuren en de plasticiteit van het materiaal. Het liet zich gemakkelijk vormen tot complexe ornamenten. Tegenwoordig vormt deze historische laag de basis voor restauratieprojecten waarbij de specifieke receptuur van het oude tinglazuur vaak met uiterste precisie moet worden gereconstrueerd om het authentieke beeld te behouden.

Vergelijkbare termen

Keramische tegels

Gebruikte bronnen: