De montage van een enkeldak start bij de draagconstructie. De gordingafstand moet exact zijn afgestemd op de overspanningscapaciteit van de gekozen plaat. Geen complexe opbouw. De geprofileerde elementen worden rechtstreeks op de houten of stalen liggers geplaatst, meestal tegen de heersende windrichting in om inwaaien van neerslag bij de naden te voorkomen. De platen overlappen elkaar zowel in de lengte als in de breedte.
Mechanische bevestiging vormt de kern van de handeling. Zelftappende schroeven met afdichtingsringen dringen door de plaat in de onderliggende gording. De positie van de bevestiger — in de dalen of op de kronen van het profiel — hangt sterk af van het specifieke materiaal. Voor de waterdichtheid bij de aansluitingen worden voorgevormde nokstukken en windveren over de randen geplaatst. Het proces verloopt lineair en repetitief. Geen tussenkomst van isolatielagen of dampremmende folies. De binnenzijde van de dakplaat blijft na montage direct zichtbaar vanuit de onderliggende ruimte.
Een eenvoudige kapschuur op het erf van een loonbedrijf illustreert het principe perfect. Geen fratsen. Men schroeft de damwandplaten direct vast op de houten gordingen. Het resultaat? Een droge stallingsruimte voor de tractor waarbij condensvorming aan de onderzijde soms voor lief wordt genomen.
In de utiliteitsbouw zie je het vaak bij luifels boven laadkuilen. Daar fungeert het enkeldak als een puur regenscherm. De constructeur kiest hier voor dunne staalplaat. De windbelasting weegt hier zwaarder dan het eigen gewicht van het dakmateriaal.
Bij de bouw van een onverwarmde opslagloods voor emballage kiest men vaak voor de combinatie van staal en kunststof. Een donkere trapeziumplaat voor het grootste deel van het vlak, onderbroken door een glasheldere polycarbonaatplaat. Zo krijgt de heftruckchauffeur gratis werklicht op de vloer zonder dat er een complete lichtstraat gemonteerd hoeft te worden.
Vezelcement-golfplaten zie je veelvuldig bij de renovatie van oude stallen. Het materiaal roest niet. Cruciaal in een ammoniakrijke omgeving. De platen worden over de bestaande gordingen heen gelegd, overlappen elkaar ruim en worden met speciale bouten vastgezet. Geen isolatie, geen binnenafwerking. Enkel de functionele schil die de regen buitenhoudt.
Constructieve veiligheid vormt de juridische basis voor elk enkeldak. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt dat een bouwwerk geen gevaar mag opleveren voor gebruikers of de omgeving. Voor onverwarmde gebouwen gelden de strenge isolatie-eisen uit het BBL meestal niet. Dat ontslaat de bouwer echter niet van andere verplichtingen. Windbelasting is hier de kritieke factor. NEN-EN 1991-1-4 schrijft exact voor hoe de rekenwaarden voor winddruk en zuiging moeten worden bepaald. Omdat een enkeldak extreem licht is, vormt opwaaiing het grootste risico bij storm. De mechanische bevestiging moet daarom voldoen aan specifieke uittrekwaarden om de schil op de gordingen te houden.
Brandveiligheid telt zwaar in de regelgeving. De vliegvuurbestendigheid van de dakbedekking moet dikwijls voldoen aan de criteria uit de NEN 6063. Staal en vezelcement presteren hierop van nature goed, maar bij de integratie van lichtplaten moet de ontwerper scherp blijven op de brandklasse van de gebruikte kunststoffen. De afstand tot de perceelgrens is bepalend voor de eisen rondom branddoorslag en brandoverslag (WBDBO). Voor de montagefase is de Arbowetgeving onverbiddelijk. Werken op hoogte vereist collectieve valbeveiliging. Bij enkeldaken is doorbraakgevaar een specifiek risico, zeker bij verouderde platen of transparante delen, waardoor loopvoorzieningen of netten onder de constructie tijdens uitvoering vaak verplicht zijn.
De industriële revolutie markeert het nulpunt voor het moderne enkeldak. Henry Robinson Palmer patenteerde in 1824 het proces voor het golven van ijzerplaten. Een revolutie. Dun metaal kreeg door de profilering plotseling constructieve stijfheid. Ineens konden grote oppervlakken met minimale middelen worden overspannen. De vroege utiliteitsbouw in Engeland omarmde het principe onmiddellijk voor pakhuizen en stationsoverkappingen. Geen zware spanten meer nodig.
Gegalvaniseerd staal werd de norm. Stanislas Sorel perfectioneerde in 1837 het verzinken, wat de levensduur van deze functionele daken drastisch verlengde. De agrarische sector volgde kort daarop. In Nederland verschenen de eerste enkeldaken op schuren en stallen als vervanging voor zware pannendaken of brandgevaarlijk riet. Het was puur pragmatisme. Snelheid boven esthetiek.
De twintigste eeuw bracht asbestcement. Licht, goedkoop en onbrandbaar. Decennialang was dit de standaard voor het enkeldak in de landbouw. Tot de jaren tachtig. De ontdekking van de gezondheidsrisico's dwong de sector naar alternatieven zoals vezelcement en gecoat staal. De profilering veranderde mee. Van de klassieke sinusgolf naar de hoekige trapeziumplaat. Deze vorm bood meer constructieve sterkte bij een nog lagere staaldikte. Vandaag de dag stuurt vooral de regelgeving rondom windbelasting en milieubestendigheid de verdere verfijning van coatings en bevestigingssystemen.