De montage van enkel glas begint in de sponning van een kozijn. De ruit rust hierbij op steunblokjes. Dit voorkomt direct contact tussen de glasrand en de dorpel, wat essentieel is om spanningen en vochtophoping te vermijden. Speling rondom is een vereiste. Het glas moet kunnen werken. In houten constructies wordt de ruit vastgezet met glaslatten, waarbij beglazingsband of een rugvulling de basis legt voor de uiteindelijke afdichting. Een strakke kitvoeg sluit de ruimte tussen het glas en de latten af.
Bij monumentaal onderhoud en restauraties is de werkwijze vaak ambachtelijker. Men gebruikt hierbij stopverf of elastische stopverfvervangers. Een schuine rand wordt handmatig getrokken. Dit bevordert de afwatering. In stalen profielen of moderne binnenwanden wordt enkel glas vaak droog gemonteerd met behulp van rubberprofielen die de ruit inklemmen zonder kitverbindingen.
In interieurtoepassingen, zoals vitrines of scheidingswanden, vindt de verbinding tussen meerdere glasplaten soms plaats via UV-verlijming of door middel van klemprofielen. De technische uitvoering richt zich hierbij op stabiliteit en visuele transparantie. Bij grotere oppervlakken is de dikte van de glasplaat bepalend voor de stijfheid van de gehele constructie.
Het fundamentele probleem van enkel glas ligt in de afwezigheid van een isolerende tussenruimte. Glas op zichzelf is een relatief goede warmtegeleider. Zonder stilstaande luchtlaag of edelgasvulling fungeert de glasplaat als een directe thermische brug tussen het binnen- en buitenklimaat. De energie stroomt nagenoeg ongehinderd naar buiten. Dit resulteert in een extreem hoge U-waarde, waardoor de verwarmingsinstallatie continu moet compenseren voor het warmteverlies bij het glasoppervlak. In de winter koelt de ruit aan de binnenzijde af tot ver onder de behaaglijkheidstemperatuur.
Zodra de temperatuur van het glasoppervlak daalt onder het dauwpunt van de binnenlucht, vindt er condensatie plaats. Dit is geen defect aan het glas zelf, maar een onvermijdelijk fysisch gevolg van de gebrekkige isolatie. Waterdamp uit de binnenlucht slaat neer op de koude ruit. Deze overtollige vochtbelasting heeft destructieve effecten op de omliggende constructie:
Lucht die in contact komt met de koude ruit koelt snel af, wordt zwaarder en zakt naar beneden. Deze neerwaartse luchtstroom, bekend als koudeval, veroorzaakt een tochtgevoel over de vloer, zelfs als het kozijn luchtdicht is. De koude ruit onttrekt bovendien door straling direct warmte aan het menselijk lichaam. Men ervaart een onaangename koudezone bij het raam.
Akoestisch gezien biedt een enkele glasplaat weinig weerstand. Door de geringe massa en het ontbreken van een dempende laag (zoals een spouw of PVB-folie) trilt de ruit gemakkelijk mee met geluidsgolven van buitenaf. Verkeerslawaai en omgevingsgeluid dringen vrijwel ongefilterd de leefruimte binnen. Daarnaast is de mechanische weerstand bij breuk laag. Enkel glas valt bij overbelasting of impact uiteen in grote, vlijmscherpe scherven, wat bij glasbreuk direct gevaar voor omstanders oplevert.
De moderne standaard is floatglas. Dit proces, waarbij gesmolten glas op een bad van vloeibaar tin drijft, levert een nagenoeg perfect vlak oppervlak op. Geen vertekeningen meer. Vroeger was dat anders. Getrokken glas, herkenbaar aan de subtiele golvingen of 'vlammen' in het oppervlak, typeert de architectuur van vóór het midden van de twintigste eeuw. In de restauratiesector is dit onderscheid cruciaal.
Monumentenglas vormt hier een specifieke subcategorie. Het is feitelijk nieuw enkel glas dat met moderne technieken een historisch uiterlijk krijgt. Soms extreem dun, soms voorzien van een nagenoeg onzichtbare coating om de thermische prestaties iets op te krikken zonder de dikte van dubbel glas te bereiken. De dikte varieert doorgaans van 2 mm voor kleine ruitjes in monumenten tot 10 mm of meer voor zware binnenwanden.
Niet elk enkel glas is transparant. Figuurglas wordt tijdens het walsen voorzien van een textuur aan één zijde. Ideaal voor privacy in sanitaire ruimtes of decoratieve binnendeuren. Dan is er draadglas. Een metalen netwerk in de kern houdt bij breuk de scherven bij elkaar. Hoewel vaak aangezien voor veiligheidsglas, biedt het vooral brandvertragende eigenschappen en inbraakwerende vertraging; voor letselveiligheid voldoet het zelden aan de modernste normen.
Het onderscheid met gelaagd glas is essentieel. Waar enkel glas uit één homogene massa bestaat, is gelaagd glas een composiet van twee of meer glasplaten met een kunststof folie ertussen. Enkel glas kan echter wel gehard zijn. Door een thermische behandeling ontstaan interne spanningen waardoor het bij breuk in duizenden kleine, relatief ongevaarlijke korrels uiteenvalt in plaats van in grote messen.
Een onverwarmde houten schuur achter in de tuin vormt het klassieke decor. Hier zie je enkel glas in zijn meest pure, functionele vorm. De ruitjes zitten met glaspunten en stopverf vastgeklemd in de kleine houten roeden. Het doel? Lichtinval. Isolatiewaarde is hier irrelevant. Bij strenge vorst vormen zich de kenmerkende ijsbloemen aan de binnenzijde van het glas, een visueel spektakel dat bij modern isolatieglas vrijwel nooit meer voorkomt.
Binnenshuis kom je de enkelvoudige glasplaat tegen in de tussendeur van de hal naar de woonkamer. Vaak uitgevoerd als figuurglas met een reliëf. Je ziet schimmen door de ruit, maar geen details. Het verdeelt het licht tussen de ruimtes zonder dat de thermische zwakte een rol speelt; de temperatuur is aan beide kanten immers gelijk. In dergelijke situaties is enkel glas een esthetische keuze die bovendien gewicht bespaart in de scharnieren van de deur.
In de restauratiesector zie je de toepassing bij een historisch grachtenpand. De authentieke kozijnen zijn te smal en te fragiel voor dikke pakketten dubbel glas. Men kiest voor dun monumentenglas. Kijk je van een afstand naar de gevel, dan zie je de typische, lichte vertekening in de reflectie. Het leeft. Het spiegelt niet zo doods als een moderne floatruit. Hier wordt de tekortkoming in isolatie geaccepteerd om de historische gelaatstrekken van het pand te behouden.
De hobbykas is een ander voorbeeld. Hier telt alleen de maximale lichtdoorlatendheid voor de groei van de planten. De ruiten liggen vaak dakpansgewijs over elkaar in eenvoudige aluminium profielen, vastgezet met stalen klemmetjes. Functioneel, goedkoop en eenvoudig te vervangen bij breuk. Ook in vitrinekasten van musea of winkels is enkel glas de standaard, mits gehard voor de veiligheid. De focus ligt daar volledig op maximale transparantie en minimale afleiding van de inhoud.
NEN 3569 is de bepalende norm voor de letselveiligheid van glas. Het risico op doorvallen staat centraal. Voor glasvlakken die lager dan 85 centimeter boven het vloerniveau beginnen, stelt de norm dat enkel floatglas onvoldoende bescherming biedt. De breukmethode is hierbij cruciaal; ongehard enkel glas breekt in grote, vlijmscherpe scherven die ernstig letsel veroorzaken. In dergelijke kritieke zones schrijft de regelgeving veiligheidsglas voor. Dit kan gehard glas zijn dat in kleine korrels uiteenvalt. Of gelaagd glas dat door een folie bij elkaar wordt gehouden. Voor daken en bovenhoofse beglazing gelden specifieke aanvullende eisen om te voorkomen dat glas bij breuk naar beneden valt.
| Toepassing | Relevante Norm / Wet | Kernvereiste |
|---|---|---|
| Buitenschil nieuwbouw | BBL | Maximale U-waarde (isolatie) |
| Lage ramen / deuren | NEN 3569 | Letselveiligheid (impact) |
| Rijksmonumenten | Erfgoedwet | Behoud historisch aanzicht |
| Plaatsingsmethode | NPR 3577 | Beglazingssysteem en ventilatie |
Glas was eeuwenlang een schaars goed. De afmetingen van vensters werden gedicteerd door de longinhoud van de glasblazer. Men produceerde kroonglas door een glazen bol open te snijden en plat te slingeren tot een schijf. Of men koos voor de cilindermethode. Het resultaat was altijd een beperkt formaat met de kenmerkende 'vlammen' en dikteverschillen. Architecten moesten werken met roeden. Veel roeden. Alleen zo konden grote openingen gevuld worden met kleine ruitjes enkel glas.
Aan het begin van de twintigste eeuw kwam de mechanisatie. Het Fourcault-proces maakte het mogelijk om glas direct uit de oven verticaal omhoog te trekken. Dit getrokken glas verving het ambachtelijke werk en zorgde voor de eerste grootschalige standaardisatie in de bouw. Het was functioneel, maar optisch nog niet perfect. Dat veranderde pas in 1952. Sir Alastair Pilkington bedacht het floatglasprocedé. Vloeibaar glas drijvend op een bed van gesmolten tin. De zwaartekracht deed het werk. Het resultaat? Een perfect vlakke plaat zonder vervorming. Dit proces vormt nog steeds de ruggengraat van de huidige glasindustrie.
Tot de jaren zeventig was de enkelvoudige ruit de onbetwiste standaard in de woningbouw. Warmteverlies werd simpelweg geaccepteerd als een gegeven. De oliecrisis van 1973 bracht daar abrupt verandering in. Energiebesparing werd beleid. Wat volgde was een technische verschuiving waarbij enkel glas in de buitenschil in recordtempo werd verdrongen. Eerst door dubbel glas, later door hoogrendementsglas. De rol van de enkelvoudige plaat veranderde fundamenteel. Het werd van een eindproduct een basiscomponent. Een bouwsteen voor complexe isolatiesystemen en gelaagde veiligheidsoplossingen.