Het proces van bedraden vangt aan zodra het leidingnetwerk in de wanden en vloeren is gefixeerd. Een stalen of kunststof trekveer wordt als wegbereider door de pvc-buizen geduwd. Aan het oog van deze veer bevestigt de monteur de benodigde koperdraden. Vaak als een gebundelde set. Terwijl aan de ene zijde de veer wordt teruggetrokken, voert een tweede persoon aan de andere zijde de draden gecontroleerd in de buis om lussen en knopen te voorkomen. Spanning op de draden moet constant blijven. Bij complexe trajecten met veel bochten wordt soms een glijmiddel op siliconenbasis toegepast om de wrijving te minimaliseren.
Eenmaal bij de lasdoos of inbouwdoos aangekomen, vindt het afmonteren plaats. De draden worden op de gewenste lengte afgeknipt. Overlengte is hierbij cruciaal. De zogenaamde 'lus' in de doos maakt latere aanpassingen mogelijk zonder de hele leiding opnieuw te hoeven trekken. Het strippen van de vinylisolatie gebeurt uiterst secuur. Geen inkepingen in het koper. Een beschadigde kern verhoogt de weerstand. De verbinding in de centrale doos geschiedt middels lasklemmen. Koper wordt op koper gedrukt. Optimale geleiding. Tenslotte worden de draden achterin de doos gevouwen, waarna de aansluiting op het schakelmateriaal volgt. Alles verdwijnt achter de afdekplaat.
De meest voorkomende variant in de Nederlandse woningbouw is de massieve VD-draad. Koper voert de boventoon. Deze Vinyl-Draad is stug en behoudt zijn vorm na het buigen, wat essentieel is voor een goede geleiding in vaste installaties. Voor specifieke situaties waar trillingen voorkomen of waar draden door zeer krappe ruimtes moeten manoeuvreren, wordt soepele draad toegepast. Deze bestaat uit talloze flinterdunne koperhaartjes. Litze noemen we dat ook wel. Belangrijk: soepele draad vereist adereindhulzen bij de aansluiting in klemmen om te voorkomen dat de haartjes verspreid raken en kortsluiting veroorzaken.
In omgevingen met verhoogde brandveiligheidseisen, zoals ziekenhuizen of tunnels, volstaat standaard pvc-isolatie niet. Hier grijpt men naar halogeenvrije draden, vaak aangeduid als H07Z. Bij brand verspreidt deze isolatie geen giftige gassen en blijft de rookontwikkeling beperkt. Een cruciaal verschil voor de veiligheid van mens en dier. De dikte van de draad, de doorsnede in vierkante millimeters, bepaalt de belastbaarheid. 2,5 mm² is de standaard voor stopcontacten. 1,5 mm² volstaat meestal voor verlichting. Voor zware apparatuur zoals een inductiekookplaat zie je vaker 4 mm² of zelfs 6 mm² verschijnen.
De visuele herkenning van elektriciteitsdraden is strikt genormeerd om fouten tijdens de montage te minimaliseren. Bruin is de fasedraad; daar staat altijd spanning op. Blauw fungeert als de nuldraad voor de retourstroom. Geel-groen is de aardedraad, de veiligheidslijn die alleen bij defecten in actie komt. Zwart is de schakeldraad. Dunner vaak. Deze brengt de spanning van de schakelaar naar het lichtpunt.
Oude installaties vormen een risico. Voor 1970 hanteerde men namelijk een totaal ander kleurenschema dat vandaag de dag voor grote verwarring kan zorgen. Een overzicht van de oude versus de nieuwe wereld:
Meng deze systemen nooit zonder grondige controle. Een groene draad in een oud huis is niet de aarde, maar de fase. Levensgevaarlijk bij een verkeerde aanname. Meten is weten. Altijd.
Een veelgemaakte fout is het synoniem gebruiken van 'draad' en 'kabel'. Een elektriciteitsdraad is een enkelvoudige geleider met een eigen isolatiemantel. Deze mag nooit los in de wand of in de grond liggen. Bescherming door een buis of goot is verplicht. Een kabel daarentegen, zoals de YMvK of de lichtere XMvK, bundelt meerdere van deze geïsoleerde draden in een extra, stevige buitenmantel.
Kabel biedt mechanische bescherming van zichzelf. Draden zijn kwetsbaar. Waar een draad eindigt bij de lasdoos, kan een kabel over grotere afstanden door vochtige ruimtes of zelfs direct in de grond (mits voorzien van een aardscherm zoals de YMvK-as) worden getrokken. In de kern blijven de draden echter hetzelfde; het is de verpakking die het toepassingsgebied bepaalt. De flexibiliteit van losse draden in een buizensysteem maakt het echter makkelijker om later een extra draad toe te voegen. Bij een kabel is de configuratie definitief. Vast is vast.
In het plafond van de woonkamer bevindt zich de centraaldoos. Hier komt een dikke bundel draden samen. Je ziet een blauwe nuldraad en een zwarte schakeldraad uit het deksel steken, klaar voor de montage van een designlamp. De bruine fasedraad loopt ondertussen ononderbroken door naar de volgende wandcontactdoos in de hoek van de kamer. Alles zit strak weggevouwen. Geen rommelige dradenboel, maar een geordend systeem waarbij elke kleur direct verraadt wat zijn functie is.
Kijk naar de aansluiting van een moderne inductiekookplaat. Hier volstaan de standaard drie draden vaak niet. De monteur trekt een zogenaamde kookgroep: twee bruine fasedraden en twee blauwe nuldraden, geflankeerd door een stevige geel-groene aardedraad. Vijf draden in één 19mm buis. Het is dringen geblazen. De dikte van 2,5 mm² per draad is hier essentieel om de hitteontwikkeling door de hoge stroomsterkte te beperken. Een dunnere draad zou simpelweg smelten onder de last van vier gelijktijdig kokende pitten.
Je trekt een oud stopcontact uit de muur en stuit op een rode en een groene draad. Dit is het moment waarop de spanningszoeker onmisbaar is. De groene draad voert de spanning, de rode is de nul. Een gevaarlijke valstrik voor de onoplettende klusser die gewend is aan modern bruin en blauw. In dergelijke situaties is het gebruikelijk om het oude draadstel als 'trekdraad' te gebruiken; je knoopt het nieuwe VD-draad aan het oude koper en trekt zo de hele installatie in één beweging naar de huidige veiligheidsstandaard.
Bij een hotelschakeling zie je de zwarte schakeldraden in actie. Tussen twee schakelaars lopen twee zwarte draden door de buis. Wisseldraden. Ze communiceren als het ware met elkaar. Of je nu beneden aan de trap staat of boven op de overloop, de stroomkring kan vanaf beide punten worden onderbroken of gesloten. Het koper in de zwarte huls transporteert hier de commando's van de gebruiker naar de lichtbron in de hal.
NEN 1010 is de spil. Zonder deze norm hangt de elektrische veiligheid in Nederland letterlijk en figuurlijk los aan elkaar. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) fungeert als het wettelijke fundament; het stelt dat installaties geen gevaar mogen opleveren voor bewoners en omgeving. Elektriciteitsdraden moeten daarom voldoen aan strikte eisen wat betreft isolatieweerstand en geleidingsvermogen. Een installateur die draden trekt, voert geen willekeurige handeling uit, maar realiseert een systeem dat de toets der kritiek van de inspectie moet kunnen doorstaan. Veiligheid is hier geen optie, maar een randvoorwaarde.
De Europese verordening voor bouwproducten, beter bekend als de Construction Products Regulation (CPR), is onverbiddelijk wanneer het gaat om de brandclassificatie van leidingen. Elektriciteitsdraden worden ingedeeld in klassen variërend van Fca tot Aca. In de praktijk bepaalt NEN 8012 welk type draad of kabel in welke ruimte mag worden toegepast. Een ziekenhuisgang vereist een ander type isolatie dan een eenvoudige kruipruimte. Rookontwikkeling (s), brandende vallende deeltjes (d) en de zuurgraad van gassen (a) zijn hierbij de kritieke parameters die de keuze voor bijvoorbeeld halogeenvrije bedrading dicteren.
| Norm/Regelgeving | Focusgebied |
|---|---|
| BBL | Basisveiligheid en volksgezondheid |
| NEN 1010 | Ontwerp en uitvoering van laagspanningsinstallaties |
| CPR (NEN 8012) | Brandgedrag van elektrische leidingen |
| NEN 3140 | Veilige bedrijfsvoering en onderhoud |
Het gaat niet alleen om het aanleggen. NEN 3140 regelt de veiligheid tijdens het werken aan de draden. Vakmanschap vereist kennis van deze bepalingen om ongevallen met vlambogen of aanrakingsspanning te voorkomen. Wie de draden in de wand negeert, negeert de wet. Meten, beproeven en documenteren vormen de sluitpost van elk project waarbij elektriciteitsdraden het gebouw tot leven wekken.
De eerste elektrische installaties in Nederland waren een experiment in brandgevaar. Koperen geleiders werden aanvankelijk omwikkeld met in bitumen of asfalt gedrenkt katoen. Materialen die na verloop van tijd simpelweg uitdroogden. Hun isolerende werking verdween. Tot diep in de jaren dertig van de vorige eeuw was de Bergmannbuis de standaard; een dunne buis van gevouwen plaatstaal met een binnenvoering van geïmpregneerd papier die de kwetsbare rubberen isolatie moest beschermen tegen beschadigingen van buitenaf. Gutta-percha noemden ze dat toen. Natuurlijk rubber. Kwetsbaar materiaal dat na enkele decennia bros wordt en bij de minste aanraking verpulvert.
Na de Tweede Wereldoorlog zorgde de chemische industrie voor een revolutie door de grootschalige introductie van polyvinylchloride. Pvc. De komst van VD-draad maakte een einde aan de periode van broze katoenomhulsels en brandgevaarlijke rubbermantels. Terwijl de techniek van het draadtrekken door buizen in de kern gelijk bleef, veranderde de veiligheidsfilosofie radicaal. De NEN 1010, voor het eerst gepubliceerd in 1940, werd in de decennia die volgden steeds dwingender. Strikte voorschriften over draaddiameters en de mechanische bescherming van geleiders werden de norm. De evolutie ging van losse draden op keramische isolatoren naar een volledig weggewerkt, genormeerd systeem. Brandveiligheid en betrouwbaarheid zijn niet langer afhankelijk van de staat van de isolatie, maar van een rigide technisch raamwerk dat elke millimeter koper beschermt.