Het classificeren begint met geduld. Veldproeven duren vaak jaren. Men slaat paaltjes van onbehandeld kernhout in de grond op proefvelden en wacht tot de biologie haar werk doet. Inspecteurs controleren de monsters periodiek op zachtrot en bruinrot. In het laboratorium verloopt dit proces versneld door houtmonsters in steriele kolven direct te confronteren met specifieke schimmelculturen onder optimale temperatuur- en vochtigheidsomstandigheden.
Cruciaal is de vergelijking met een referentie. Men gebruikt hiervoor gestandaardiseerde 'gevoelige' houtsoorten zoals beukenhout of grenen spinthout. De verhouding tussen de weerstand van het testmateriaal en die van de referentie bepaalt de uiteindelijke x-waarde, een rekenkundige maatstaf die de basis vormt voor de toekenning van de klasse. Geen willekeur, maar harde data uit destructief onderzoek.
In de praktijk koppelt de bestekschrijver deze klassen aan de gebruikssituatie. Men analyseert de vochtbelasting. Palen voor een beschoeiing vragen om de hoogste graad van natuurlijke resistentie. Voor een gevelparket dat vrij kan ventileren, hanteert men vaak soepelere normen, mits de detaillering technisch correct is uitgevoerd. Het proces eindigt bij de controle op de bouwplaats: is het geleverde hout daadwerkelijk kernhout of bevat het sporen van vergankelijk spint?
Een beschoeiing langs een kanaal. Hier kiest de aannemer resoluut voor Azobé. Deze houtsoort draagt met gemak de stempel klasse 1 en vertoont zelfs na dertig jaar in de modderige oever nauwelijks tekenen van degradatie. Het hout is loodzwaar en keihard. Geen schimmel die er grip op krijgt.
Vurenhout in een gordingkap. Hoewel technisch gezien klasse 5 en dus uiterst gevoelig voor rot, functioneert dit materiaal uitstekend zolang de dakpannen hun werk doen en de relatieve vochtigheid laag blijft. De biologie krijgt simpelweg geen kans in de droge dakconstructie. Hier is de lage natuurlijke duurzaamheid geen belemmering voor de levensduur van het gebouw.
In de tuinbouw zien we vaak het verschil tussen een eikenhouten poortpaal en een onbehandeld vuren paaltje. De eiken variant, klasse 2, staat na vijftien jaar nog onverzettelijk in de klei. Het vuren paaltje breekt vaak al na drie seizoenen af op de lucht-grondlijn. Precies op dat punt waar vocht en zuurstof de schimmelgroei maximaliseren, faalt de klasse 5 houtsoort onherroepelijk.
Een pergola van Lariks (klasse 3-4) boven een terras. Bij een doordachte detaillering, waarbij de koppen zijn afgedekt en de staanders op een verzinkte kolomvoet staan, blijft het hout decennia goed. Wordt diezelfde staander echter rechtstreeks in de vochtige volle grond geplaatst? Dan is het binnen enkele jaren gedaan met de constructieve integriteit. De praktijk bewijst: de juiste klasse op de verkeerde plek blijft een risico.
Het draait in de kern om de bewijslast. Wie bouwt onder de vlag van het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) moet feitelijk kunnen aantonen dat de gekozen materialen de beoogde levensduur en veiligheid waarborgen, en precies daar komen de gestandaardiseerde klassen om de hoek kijken. De NEN-EN 350 levert de fundamentele data. Het is geen vrijblijvende suggestie voor de hobbyist, maar een technisch fundament.
In de professionele praktijk fungeert de NEN-EN 460 als de cruciale vertaalslag. Deze norm koppelt de natuurlijke duurzaamheid van houtsoorten aan de specifieke gebruiksklassen van de omgeving waarin het materiaal wordt toegepast. Deze normen vormen samen een gesloten systeem dat voorkomt dat inferieur materiaal in kritieke constructies belandt. Harde cijfers, geen aannames.
Bij constructieve toepassingen haakt de Eurocode 5 (NEN-EN 1995) direct aan op deze classificaties. De duurzaamheidsklasse beïnvloedt hierbij indirect de rekenwaarden voor de sterkte op de lange termijn, omdat de mate van degradatie de structurele integriteit over de jaren heen dicteert. Wanneer een aannemer in een bestek leest dat er hout met een specifieke klasse vereist is voor een waterwerk, dan rust daar een zware verantwoordelijkheid op die direct terug te voeren is op de prestatie-eisen die de overheid stelt aan de openbare veiligheid. Zonder een correcte classificatie volgens deze Europese standaarden wankelt de juridische onderbouwing van de constructieve veiligheid van een bouwwerk.
Vroeger was ervaring de enige graadmeter. Timmermannen zagen welke palen na dertig jaar nog stonden en welke na vijf jaar verpulverden. Eenvoudig. Maar de opkomst van de internationale houthandel en de behoefte aan juridische zekerheid in de woningbouw veranderden alles. In de twintigste eeuw begonnen nationale onderzoeksinstituten met het systematisch begraven van houtmonsters in testvelden om de natuurlijke degradatie vast te leggen. Deze nationale protocollen waren echter onoverzichtelijk en vaak niet onderling vergelijkbaar. Pas met de komst van de Europese eenwording in de jaren negentig ontstond de noodzaak voor een uniforme taal, wat resulteerde in de NEN-EN 350-normering.
Het verving de vage kwalificaties door de huidige vijf klassen. Een rigide systeem. Het doel was helder: wildgroei stoppen en de constructeur een instrument geven dat ook in een rechtszaal standhoudt. Later verschoof de focus. Naast de jarenlange veldproeven kregen versnelde laboratoriumtests een prominente rol, waarbij schimmelculturen in gecontroleerde omgevingen houtsnijsels te lijf gaan om binnen enkele maanden antwoorden te krijgen die voorheen decennia kostten. De transitie van intuïtie naar data is compleet. Geen giswerk meer over de levensduur van een hardhouten vlonder of een gording. De klassenindeling zoals we die nu kennen is het resultaat van bijna een eeuw aan destructief onderzoek op proefvelden over de hele wereld.