Dunmortelwerk

Laatst bijgewerkt: 14-01-2026


Definitie

Metselwerk uitgevoerd met een gereduceerde voegdikte, meestal tussen de 3 en 8 millimeter, waarbij gebruik wordt gemaakt van specifieke dunbedmortel om een steen-dominant gevelbeeld te creëren.

Omschrijving

Minder mortel, meer karakter. Bij dunmortelwerk wordt de traditionele voeg van circa twaalf millimeter ingeruild voor een subtiele lijn van slechts enkele millimeters. Het resultaat is een gevel die rust uitstraalt; de baksteen domineert het beeld volledig. Geen afleiding door een dominant voegraster, maar een monolithische uitstraling die perfect past in de moderne architectuur. Maar vergis je niet: dit is precisiewerk van de bovenste plank. De maatvastheid van de gekozen steensortering is hierbij de bepalende factor voor succes, want elke afwijking wordt direct zichtbaar in de strakke lijnen. Het vraagt om vakmanschap en een vaste hand, want corrigeren is er nagenoeg niet bij als de dunbedmortel eenmaal gezet is, een proces dat vaak sneller gaat dan bij reguliere kalkmortels.

Uitvoering en techniek

De uitvoering van dunmortelwerk centreert zich rondom het nauwkeurig aanbrengen van een mortelbed met een dikte die aanzienlijk onder de standaardmaten ligt. Precisie is hierbij leidend. Men gebruikt voor de applicatie vaak een mortelpomp of een specifieke mortelslee die de specie gelijkmatig over de lintvoeg verdeelt zonder de randen van de baksteen te vervuilen. Door de geringe dikte van de mortellaag is de zuiging van de baksteen een kritieke factor; de stenen worden meestal droog verwerkt om een optimale aanhechting te garanderen en te snelle uitdroging van de dunne mortellaag te voorkomen.

Het metselen geschiedt doorgaans volgens de 'vol en zat' methode. Omdat de mortel fungeert als directe eindafwerking, vindt er geen traditionele naderhandse voegbewerking plaats. Dit betekent dat de verwerker de voeg direct tijdens het opmetselen op de gewenste diepte en structuur brengt, waarbij de mortel vaak iets wordt teruggelegd ten opzichte van de voorzijde van de steen om schaduwwerking te creëren. Corrigeren is slechts beperkt mogelijk. De kortere open tijd van de dunbedmortel dwingt tot een vlot en trefzeker werktempo waarbij de positie van de steen in één beweging goed moet zijn.

Tijdens het proces wordt de maatvoering van de lagenlat strikt gevolgd om de horizontale lijnen over de volledige gevelbreedte consistent te houden. Bij varianten van stootvoegloos dunmortelwerk worden de koppen van de stenen strak tegen elkaar geplaatst, waarbij enkel de lintvoeg van mortel wordt voorzien. Dit versterkt het horizontale lijnenspel. De mortel wordt in dergelijke gevallen zodanig aangebracht dat deze niet naar buiten wordt gedrukt bij het plaatsen van de volgende laag, wat de noodzaak voor intensieve reiniging van het geveloppervlak minimaliseert.


Onderscheid in dikte en bindmiddel

Dunmortel versus lijmwerk

Er heerst vaak verwarring tussen dunmortelwerk en lijmwerk. Hoewel beide technieken streven naar een minimale voeg, is de chemische samenstelling en de verwerkingsdikte wezenlijk anders. Bij lijmwerk spreekt men over voegen van 2 tot 4 millimeter, waarbij de mortel (lijm) een zeer hoge kleefkracht bezit. Dunmortelwerk positioneert zich daar precies tussenin. Met een voegdikte van 4 tot 8 millimeter biedt het een gulden middenweg; dik genoeg om kleine maatafwijkingen in de baksteen op te vangen, maar dun genoeg voor dat felbegeerde massieve gevelbeeld. Het is een hybride vorm. Minder mortel dan traditioneel metselwerk, meer body dan lijm.

De rol van de stootvoeg

Binnen de wereld van dunmortelwerk zijn er twee esthetische stromingen dominant. De meest voorkomende variant is het stootvoegloze dunmortelwerk. Hierbij worden de koppen van de bakstenen nagenoeg koud tegen elkaar geplaatst. De focus ligt hier volledig op de horizontale lijnen van de lintvoeg. Een andere optie is de variant mét stootvoeg, waarbij ook de verticale voeg dun wordt uitgevoerd. Dit geeft een rastering die subtieler is dan bij klassiek metselwerk, maar nog steeds de individuele steen kadert. De keuze tussen deze twee bepaalt of de gevel een lineair ritme krijgt of een meer gebalanceerd blokpatroon.


Varianten in afwerking en steentype

VariantKenmerkToepassing
TerugliggendMortel wordt 2-5 mm verdiept aangebracht.Maximale schaduwwerking en steenaccent.
Vol en zat (flush)De voeg vult de ruimte tot aan de steenzijde.Monolithisch, bijna naadloos oppervlak.
Gekleurde dunbedmortelMortel op kleur van de steen.Camouflage van het voegpatroon.

Niet elke steen is geschikt voor elke variant. Handvormstenen met hun onregelmatige randen vragen vaak om een iets dikkere dunbedvoeg om de toleranties op te vangen. Strengpersstenen lenen zich door hun strakke geometrie juist uitstekend voor de ondergrens van 4 millimeter. Soms wordt er gekozen voor een 'doorstrijk'-variant van dunmortelwerk. Hierbij wordt de mortel direct met een voegijzer of een speciale roller afgewerkt. Snelheid is hierbij geboden. De mortel hardt sneller uit dan men gewend is bij klassieke kalkmortels. Eén foutje en de nuance is weg.


Praktijksituaties en visuele effecten

Stel je een strakke, moderne villa voor in een bosrijke omgeving. De architect heeft gekozen voor een antracietgrijze strengperssteen in een extreem langformaat. Er zijn geen verticale voegen zichtbaar. Dit is stootvoegloos dunmortelwerk in optima forma. De horizontale lijnen trekken de woning visueel in de breedte, waardoor het gebouw zich bijna in het landschap vleit. De mortel is hier slechts een noodzakelijk bindmiddel, geen esthetisch onderdeel. Geen rastering. Geen afleiding.

Een ander beeld. Een museumgebouw met een ruwe, onregelmatige handvormsteen. De stenen zijn grillig van vorm. Een traditionele voeg van twaalf millimeter zou het gevelbeeld hier volledig versnipperen. Door de dunbedmortel circa 4 millimeter terug te leggen (verdiept aanbrengen), ontstaan er diepe schaduwlijnen onder elke steen. Het lijkt alsof de stenen los op elkaar zijn gestapeld zonder enige tussenkomst van specie. Het is een gewaagd spel met licht en donker dat de tactiele kwaliteit van de baksteen benadrukt.

In de utiliteitsbouw kom je de techniek ook tegen bij grote, blinde gevelvlakken. Denk aan een distributiecentrum dat toch een hoogwaardige uitstraling moet hebben. Een mortelslee verdeelt de dunbedmortel razendsnel over de lagen. Het gaat sneller dan traditioneel metselen en naderhand voegen. De steen domineert. De metselaar werkt hier als een precisie-instrument; elke handeling moet in één keer goed, want de dunne laag mortel vergeeft geen fouten.

Soms telt alleen het karakter van de klei. Bij een renovatieproject in een stedelijke kern kan dunmortelwerk worden ingezet om een verouderd pand een radicaal modern uiterlijk te geven, zonder de fundamentele structuur aan te tasten. De nieuwe schil oogt massief. Bijna als gegoten. Het resultaat is een monolithische wand die de tand des tijds beter doorstaat, simpelweg omdat er minder voegoppervlak is dat kan vervuilen of degraderen.


Normering en kwaliteitsborging

Metselwerk moet staan. Altijd. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) vormt het wettelijk kader waaraan elk bouwwerk in Nederland moet voldoen, waarbij de constructieve veiligheid en duurzaamheid van de gevel centraal staan. Voor dunmortelwerk specifiek kijken constructeurs naar NEN-EN 1996-1-1, beter bekend als de Eurocode 6. Deze normering bevat de essentiële rekenregels voor het ontwerp van metselwerkconstructies en maakt een scherp onderscheid tussen de mechanische eigenschappen van traditionele mortels en die van dunbedmortels. Het draait om de hechting. De prestatie-eisen van de toegepaste mortel zijn vastgelegd in NEN-EN 998-2, een norm die zaken als druksterkte en chloridegehalte reguleert.

Vaak wordt er op de bouwplaats gewerkt onder een KOMO-certificering die stoelt op de BRL 1901 voor metselmortels. Dat geeft zekerheid. De onderlinge afstemming tussen de baksteen en de gekozen dunbedmortel is bij deze techniek vele malen kritischer dan bij een traditionele voeg van twaalf millimeter; de initiële wateropname (IW-klasse) van de steen moet nauwkeurig matchen met de waterretentie van de mortel om aan de gestelde normen voor de buigtreksterkte van de gevel te kunnen voldoen. Een mismatch leidt tot onvoldoende hechting en dat is fataal voor de constructieve integriteit. Geen ruimte voor fouten.


De evolutie naar een monolithisch beeld

Vroeger was de voeg simpelweg een noodzakelijk kwaad om onregelmatige bakstenen uit te lijnen. Dikke kalkmortels van twaalf millimeter of meer dienden als buffer. Het metselwerk was een raster. De baksteen slechts een invulling. Maar in de late twintigste eeuw verschoof de esthetische wens in de architectuur radicaal naar een massieve, monolithische uitstraling. Men wilde geen dambordpatroon meer, maar de pure textuur van keramiek zien.

De opkomst van dunbedmortel in de jaren negentig was een direct antwoord op de beperkingen van lijmwerk. Hoewel lijmtechnieken extreem dunne voegen boden, bleken deze in de praktijk vaak te onvergeeflijk voor de toleranties van de gemiddelde Europese baksteen. Er ontstond behoefte aan een hybride. Een mortel die de verwerkingsvoordelen van traditionele specie combineerde met de kleefkracht van lijm. Chemische additieven, zoals polymeren, maakten het mogelijk om de waterretentie te verhogen. Hierdoor verbrandt de mortel niet op de droge steen.

De verschuiving naar 'point-and-go' systemen versnelde de acceptatie. Waar voorheen de metselaar en de voeger twee aparte disciplines waren, versmolten deze rollen door de ontwikkeling van doorstrijk- en dunbedmortels. De traditionele twee-fasen-methode — eerst metselen, later voegen — werd steeds vaker gepasseerd voor een efficiënter proces. Het resultaat is een technische evolutie waarbij de mortel is gedegradeerd van een prominent visueel element naar een onzichtbare kracht op de achtergrond. Minimalisme werd maakbaar door chemische innovatie.


Gebruikte bronnen: