Drielicht

Laatst bijgewerkt: 24-01-2026


Definitie

Een gevelopening voor een venster of deur die door middel van verticale stijlen, deelzuiltjes of muurdammen is opgedeeld in drie afzonderlijke, maar gekoppelde lichten.

Omschrijving

Drie openingen in één frame. Het drielicht, ook wel trifora genoemd, dwingt de blik omhoog en verdeelt de lichtinval op een ritmische wijze over het interieur. In de romaanse architectuur werden deze vensters vaak toegepast om grote muurvlakken te doorbreken zonder de constructieve stabiliteit te verliezen; deelzuiltjes vingen hierbij de last van de bogen op. In de gotiek werd het drielicht ranker en verfijnder. Slanke montanten vervingen de zware zuilen, terwijl de drie lichten vaak onder één gemeenschappelijke ontlastingsboog werden samengebracht. De esthetiek volgt hier de functie. Meer glas, minder massa. De verhoudingen tussen de drie lichten bepalen het karakter van de gevel, waarbij het middelste licht vaak een dominante, hogere positie inneemt.

Constructieve samenstelling en uitvoering

De realisatie van een drielicht vangt aan bij het formeren van een aanzienlijke overspanning in het muurwerk, waarbij de constructieve integriteit van de bovenliggende gevelpartij gewaarborgd moet blijven. Deze brede opening vereist een nauwkeurige positionering van de verticale elementen. Men plaatst de twee tussenstijlen of deelzuiltjes op exact berekende afstanden op een doorlopende onderdorpel of natuurstenen plint. Een cruciale fase. Deze stijlen vangen de verticale lasten op en verdelen de druk naar de onderliggende muurdammen.

Bij historisch metselwerk worden de drie bogen vaak individueel boven de lichten gemetseld, rustend op de kapitelen van de tussenkolommen. Een andere methode is het aanbrengen van één allesomvattende ontlastingsboog of latei die de volledige breedte overspant, waarbinnen de drie openingen worden gevat. In de moderne kozijntechniek wordt het drielicht meestal als één samengesteld frame in de sparing gemonteerd. De stijlen zijn hierbij integraal onderdeel van het profiel. De montage vergt uiterste precisie; het kleinste verschil in de breedte van de zijlichten ten opzichte van het middenlicht verstoort direct de visuele balans van de gevel. Nadat het raamwerk is gesteld, volgt de beglazing van de drie afzonderlijke compartimenten, waarbij de profilering van de stijlen zorgt voor de noodzakelijke waterdichtheid en mechanische sterkte van het geheel.


Typologieën en stilistische varianten

De trifora als historische basis

De meest herkenbare variant is de trifora, een term die direct refereert aan de romaanse en gotische traditie. In deze uitvoering zijn de drie lichten doorgaans identiek van vorm en afmeting, gescheiden door ranke deelzuiltjes met kapitelen. Men treft ze vaak aan in kerktorens of als onderdeel van een galerij. Een specifiek kenmerk is dat de drie bogen vaak binnen één grotere ontlastingsboog vallen, waarbij de ruimte boven de lichten — het boogveld — soms is gedecoreerd met eenvoudig maaswerk of blind metselwerk. Constructief ritme in steen.

De Serliana en het Venetiaans venster

Een wezenlijk andere verschijningsvorm is de Serliana, in de volksmond ook wel het Venetiaans of Palladiaans venster genoemd. Hier verdwijnt de gelijkheid tussen de lichten. Het middelste licht is dominant, breder en voorzien van een rondboog, terwijl de twee flankerende lichten lager zijn en een vlakke afsluiting (architraaf) hebben. Deze vorm werd tijdens de renaissance wereldberoemd door architecten als Sebastiano Serlio en Andrea Palladio. Het is een klassiek statement. In de negentiende-eeuwse architectuur zie je vaak een versimpelde versie waarbij het middelste venster simpelweg hoger is opgetrokken dan de zijvensters, zonder dat er sprake is van een boogconstructie.

Moderne kozijnvarianten en verwarring

In de moderne woningbouw sprekt men vaak simpelweg van een drieledig kozijn of een drielichtskozijn. Hierbij zijn de stenen deelzuiltjes vervangen door houten, stalen of kunststof tussenstijlen (montanten). Het gaat hierbij om één samengesteld frame. Belangrijk is het onderscheid met drie losse vensters die toevallig naast elkaar in een gevel zijn geplaatst. Bij een echt drielicht is er sprake van een architectonische en constructieve eenheid; ze delen één dorpel en vaak één bovendorpel of latei. Een drieluikvenster is een synoniem dat soms wordt gebruikt, al neigt die term meer naar de schilderkunst of binnenhuarchitectuur. Functionaliteit ontmoet ritmiek.


Praktijkvoorbeelden en visuele herkenning

De galmgaten van een romaanse kerktoren

Hoog boven de dorpskern. De massieve stenen muren van de kerktoren worden doorbroken door galmgaten in de vorm van een drielicht. Drie smalle, verticale openingen. De stenen deelzuiltjes vangen de enorme druk van het bovenliggende metselwerk op. Het is een slimme zet. De architect creëert hiermee maximale openheid voor het geluid van de luidklokken, terwijl de constructieve stijfheid van de toren behouden blijft. De bogen rusten op kleine kapitelen. Pure functionaliteit in natuursteen.

De Serliana in een neoclassicistisch herenhuis

Een statige gevel aan een gracht. Direct boven de centrale entree valt het oog op een monumentaal venster. Het is een klassiek drielicht, uitgevoerd als Serliana. Het middelste deel is een brede rondboog die hoog oprijst, geflankeerd door twee lagere, recht afgesloten ramen. Het oogt als één groots gebaar. Door deze opzet krijgt de gevel een hiërarchisch middelpunt. De slanke montanten tussen de lichten suggereren lichtheid, terwijl ze in werkelijkheid de zware architraaf ondersteunen. Status in glas en kozijnwerk.

De jaren '30 erker

Wandelen door een Nederlandse woonwijk uit het interbellum. De bakstenen erker van een hoekwoning. Hier zie je het moderne drielichtskozijn in optima forma. Geen losse gaten in de muur, maar één doorlopend houten frame met twee stevige tussenstijlen. Bovenin is vaak glas-in-lood aangebracht dat over de drie segmenten heen één doorlopend patroon vormt. Het licht valt in banen de woonkamer binnen. Gefragmenteerd. De constructie deelt de ruit in behapbare vlakken, wat de woning een geborgen karakter geeft ondanks het grote glasoppervlak.

Industriële herbestemming

Een oude fabriekshal, getransformeerd tot loft. In de zijgevels zijn de oorspronkelijke drielichten bewaard gebleven. Hier zijn de stenen zuilen vervangen door dunne, zwartstalen profielen. De drie lichten zijn identiek van maat. Een strak ritme. Dankzij de drieledige opzet kunnen de twee buitenste delen vaak als draairaam fungeren, terwijl het middelste deel vaststaat. Balans tussen ventilatie en ononderbroken zichtveld.


Kaders in regelgeving en normering

Thermische prestaties en BBL

Bij de integratie van een drielicht in de hedendaagse gebouwschil is het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) leidend. De thermische isolatie-eisen voor gevelopeningen zijn streng. Een drielicht heeft door de aanwezigheid van twee extra tussenstijlen een relatief groot aandeel kozijnprofiel ten opzichte van het glasoppervlak. Dit beïnvloedt de gemiddelde U-waarde van het gehele element. Berekeningen volgens NEN 1068 zijn noodzakelijk om koudebruggen bij de aansluiting van de montanten op de dorpels te voorkomen. Meer materiaal betekent vaker meer warmteverlies.

Veiligheidsglas en doorvalveiligheid

Veiligheid voorop. Indien het drielicht laag in de gevel wordt geplaatst, treedt NEN 3569 in werking. Letselveilig glas is dan verplicht. Dit geldt zeker voor de lagere zijlichten in een Serliana-opstelling die tot nabij het vloerniveau kunnen reiken. Het voorkomen van doorvallen is een harde eis uit het BBL voor ruiten die een scheiding vormen tussen een verblijfsruimte en de buitenlucht met een hoogteverschil.

Monumentale status en de Erfgoedwet

Historische drielichten vallen vaak onder de bescherming van de Erfgoedwet. Restauratie is geen vrijblijvende keuze. Bij rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten is een omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten vereist. De Welstandscommissie toetst of de profilering van de nieuwe stijlen overeenkomt met de oorspronkelijke detaillering. Authentiek materiaalgebruik is de norm. Dubbel glas in een romaanse trifora? Dat vraagt om creatieve oplossingen zoals achterzetramen of monumentenglas om aan zowel de isolatiewens als de erfgoedrichtlijnen te voldoen.

Luchtdoorlatendheid en ventilatie

Ventilatiecapaciteit volgens NEN 1087 mag niet worden onderschat. Bij een drielichtskozijn wordt vaak één van de lichten uitgevoerd als draai- of klepraam. De overige delen blijven vast. De wet stelt eisen aan de minimale toevoer van verse lucht per verblijfsgebied. De positie van ventilatieroosters boven de verschillende lichten moet esthetisch stroken met het gevelbeeld zonder de constructieve integriteit van de latei aan te tasten.


Van romaanse noodzaak naar architectonische hiërarchie

De oorsprong ligt in de massieve romaanse architectuur van de elfde en twaalfde eeuw. Constructieve beperkingen dicteerden de vorm. Grote gevelopeningen verzwakten de draagkracht van de dikke muren, waardoor bouwmeesters kozen voor de trifora: drie smalle, gekoppelde lichten. Deelzuiltjes vingen de verticale lasten op. Deze vroege drielichten waren puur functioneel bedoeld om daglicht toe te laten en galmgaten te creëren zonder dat de gevel bezweek. De esthetiek van de herhaling was een bijproduct van de techniek.

De gotiek bracht verfijning. Natuurstenen montanten vervingen de zware zuilen. Constructief werd het drielicht complexer door de introductie van de gemeenschappelijke ontlastingsboog; drie spitsbogen werden gevat binnen één grotere boogconstructie, wat de weg vrijmaakte voor grotere glasoppervlakken en rankere gevelpartijen. De techniek verschoof van het simpelweg stapelen van steen naar een geraffineerd skelet van verticale stijlen en maaswerk.

Tijdens de renaissance onderging het drielicht een radicale transformatie in verhouding en hiërarchie. Architecten zoals Sebastiano Serlio en Andrea Palladio braken met de gelijkvormigheid van de drie lichten. De Serliana introduceerde de dominante centrale rondboog geflankeerd door twee lagere, recht afgedekte zijlichten. Dit vereiste een nauwkeurige berekening van de drukverdeling op de tussenkolommen, aangezien de architraaf boven de zijlichten een andere lastoverdracht kende dan de centrale boog. Het drielicht werd een statussymbool.

Met de opkomst van de moderne kozijntechniek in de negentiende en vroege twintigste eeuw verdween de noodzaak voor stenen tussenkolommen. Hout en staal namen de constructieve taak over. In de Nederlandse woningbouw van de jaren '30 bereikte het drielicht een praktische standaard als geprefabriceerd houten kozijn. Geen losse gaten in het metselwerk meer. Eén enkel frame met tussenstijlen. De visuele ritmiek bleef behouden, maar de uitvoering werd volledig industrieel. De focus verschoof definitief van puur constructieve ondersteuning naar de beheersing van lichtinval en ventilatie in de moderne gevelschil.


Vergelijkbare termen

Drielichtvenster

Gebruikte bronnen: