Hoog in de gevelwand begint de opbouw met het stellen van een tijdelijk houten formeel. Dit hulpmiddel bepaalt de straal van de halfronde opening. Men plaatst de twee verticale montants vaak als eerste vaste punten, waarna het metselwerk of de natuursteen rondom de boogvorm wordt opgetrokken. De stijlen vangen de druk op. De krachten vanuit de bovenliggende muur of het gewelf worden via de boogsegmenten naar deze montants en de buitenste muurdammen geleid. Het metselen gebeurt symmetrisch. Vanuit de aanzet werkt men naar de sluitsteen toe. Die sluitsteen vergrendelt de hele boogconstructie.
De drie sparingen die zo ontstaan, hebben een ongelijke maatvoering. Het middelste segment is breder. Dit creëert een specifieke ritmiek in de gevel. Zodra de mortel voldoende sterkte heeft, verwijdert men de ondersteunende bekisting. De afwerking richt zich dan op de dagkanten en de montage van de raamprofielen. Deze profielen volgen de geometrie van de cirkelsegmenten nauwkeurig. In monumentale toepassingen wordt vaak natuursteen gebruikt voor de dragende delen, terwijl de invulling van de vensters kan variëren van eenvoudige beglazing tot complexe traceringen.
Hoog boven de reizigersstroom in een negentiende-eeuws kopstation doorbreekt een gigantisch thermenvenster de massieve bakstenen gevel. De twee verticale natuurstenen montants fungeren als visuele ankers die de enorme boog ondersteunen. Het licht stroomt diep de hal in. Zonder de stabiliteit van de muur aan te tasten. Het middelste segment is fors breder dan de flanken, wat zorgt voor een dwingende symmetrie die de grootsheid van het gebouw onderstreept.
Kijk naar het timpaan van een statig landhuis in Palladiaanse stijl. Daar zit het venster vaak als een elegant ornament gevangen in de driehoekige gevelbeëindiging. Geen zware steen hier, maar fijn geprofileerde houten stijlen. De schaal is kleiner. De constructieve noodzaak ontbreekt nagenoeg, maar de driedeling blijft strikt gehandhaafd voor dat gewenste antieke ritme. Een subtiele knipoog naar de Romeinse thermen, uitgevoerd in een huiselijke context.
In de kopgevel van een oude fabriekshal met een tongewelf zie je de functionele kant. De boog van het venster volgt exact de kromming van het dak. Gietijzeren profielen vervangen de stenen penanten. Slank. Bijna fragiel. Hier draait het om maximale lichtopbrengst voor de werkplaats beneden. De verticale stijlen onderbreken de enorme glaspartij en bieden de nodige weerstand tegen winddruk op het grote oppervlak. Constructieve logica vermomd als klassieke vorm.
Bij de restauratie of aanpassing van gebouwen met Diocletiaanse vensters is de Erfgoedwet vaak het primaire juridische kader. De historische waarde van de profilering en de specifieke driedeling van het thermenvenster mag niet zomaar worden aangetast. Dit levert in de praktijk uitdagende situaties op. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt namelijk strikte eisen aan de energieprestatie van de schil, maar voor monumenten gelden vaak uitzonderingsregels. Het simpelweg plaatsen van dik HR++ glas is meestal onmogelijk zonder de fragiele montants te verzwaren. Men wijkt daarom vaak uit naar vacuümglas of monumentenglas met een beperkte dikte om de esthetische integriteit te waarborgen.
De welstandsnota van een gemeente speelt eveneens een cruciale rol bij nieuwe ontwerpen die deze klassieke vormentaal hanteren. Past het ritme van de boogsegmenten wel in het straatbeeld? Soms dwingen lokale richtlijnen tot een versobering of juist een zeer getrouwe kopie van historische voorbeelden. Het gaat hier niet alleen om esthetiek, maar om de stedenbouwkundige inpassing van monumentale vormen in een eigentijdse context.
Grote thermenvensters in publieke gebouwen zoals stations of musea vallen onder specifieke veiligheidsnormen. Denk aan NEN 3569 voor letselveiligheid. Glasvlakken op grote hoogte moeten bestand zijn tegen doorvallen. Zeker in de monumentale segmenten waar de ruiten fors van omvang kunnen zijn. De constructieve berekening van de montants volgt de Eurocodes, specifiek NEN-EN 1991 voor windbelasting. Deze stijlen vangen namelijk de volledige winddruk op het halfronde vlak op. De stabiliteit van de boogconstructie zelf mag nooit in het geding komen door wijzigingen in het kozijnwerk of de beglazing. Een verkeerde materiaalkeuze voor de tussenstijlen kan leiden tot ongewenste vervormingen of zelfs bezwijken van de bovenliggende boogsegmenten.
De constructievorm vindt zijn oorsprong in de vierde eeuw na Christus. Romeinse bouwmeesters zochten een methode om de immense gewelfde ruimtes van de Thermen van Diocletianus van daglicht te voorzien. Zij gebruikten hiervoor het halfronde venster, een logisch gevolg van de destijds dominante boogconstructies in opus caementicium. Na de klassieke oudheid verdween de toepassing nagenoeg volledig uit de actuele bouwkunst. De middeleeuwse architectuur koos voor andere, spitsere of kleinere openingen.
De herontdekking vond plaats tijdens de Renaissance. Andrea Palladio bestudeerde de Romeinse ruïnes nauwgezet en integreerde het type in zijn ontwerpen. Het venster werd hiermee een symbool van de herleefde klassieke orde. In de achttiende eeuw bereikte de populariteit een hoogtepunt door het Britse Palladianisme. Architecten zoals Lord Burlington introduceerden het venster in de gevels van landhuizen en publieke gebouwen als teken van eruditie en status. Het venster diende niet langer alleen de thermen, maar werd een universeel element van de neoclassicistische compositie.
Tijdens de industriële revolutie onderging de toepassing een technische transformatie. Waar het venster voorheen een integraal onderdeel was van zwaar metselwerk, werd het in de negentiende eeuw vaker uitgevoerd in gietijzer en staal. Deze evolutie maakte het mogelijk om de vensters op veel grotere schaal toe te passen in de utiliteitsbouw. Stationshallen en fabrieksgebouwen gebruikten de vorm om enorme volumes te verlichten zonder de stabiliteit van de eindgevels in gevaar te brengen. De vorm bleef antiek. De uitvoering werd industrieel. In de hedendaagse bouwpraktijk ligt de nadruk vooral op de restauratie-ethiek en het behoud van de specifieke profilering bij monumentale renovaties.