De inzet van een dieplepel begint met het positioneren van de graafmachine op een stabiele ondergrond, waarbij de giek en steel over het te ontgraven vlak worden uitgestrekt. De bak zakt verticaal. Zodra de tanden of het mes contact maken met de bodem, trekt de machinist de steel naar het machinehuis toe. Deze trekkende beweging kenmerkt de techniek. Hydraulische cilinders leveren de benodigde kracht om de snijrand door de bodemstructuur te dwingen, waarbij de weerstand van de grond de diepte van de snede bepaalt.
Tijdens de haal vult de bak zich. De machinist corrigeert de stand van de bak voortdurend om de vullingsgraad te maximaliseren en de weerstand te beheersen. Volle bak? Dan volgt een kanteling achterwaarts. De giek heft de last uit de ontgraving terwijl de bovenwagen van de machine zwenkt naar de losplaats. Door de bakcilinder uit te schuiven, kantelt de bak voorover en lost het materiaal door de zwaartekracht. Bij het trekken van sleuven verplaatst de machine zich doorgaans achterwaarts, weg van het ontgraven deel, om de stabiliteit op ongeroerde grond te waarborgen.
Het proces verloopt cyclisch. In lagen wordt het gewenste niveau bereikt. De precisie waarmee de snijrand de bodem raakt, bepaalt de vlakheid van de uiteindelijke ontgraving.
De standaard dieplepel is een manusje-van-alles, maar voor specifiek grondverzet wijkt de vorm vaak drastisch af. Neem de bananenbak. Deze is opvallend smal en diep, een vorm die essentieel is bij het graven van sleuven voor kabels en leidingen. Door de grote kromming lost kleiachtige grond gemakkelijker. De bak kleeft minder. In schril contrast hiermee staat de slootbak, ook wel taludbak genoemd. Breedte voert hier de boventoon. Deze bakken zijn bedoeld voor het opschonen van sloten of het strak afwerken van taluds. De breedte zorgt voor een groot oppervlak per haal, terwijl de geringe diepte voorkomt dat de machine overbelast raakt door het gewicht van natte bagger.
Een veelgebruikte variant is de kantelbak. Dit is in feite een slootbak gemonteerd op een hydraulisch kantelstuk. De machinist kan de bak linksom of rechtsom neigen. Ideaal voor het maken van schuine kanten zonder de machine zelf schuin te hoeven positioneren. Het bespaart tijd. Het resultaat is strakker.
De keuze voor een dieplepel hangt sterk samen met de structuur van de bodem. Voor losse grond of zand wordt vaak een mesbak gebruikt; een bak met een rechte, scherpe snijrand zonder tanden. Het resultaat? Een snaarstrakke bodem voor funderingen. Geen tanden die gaten slaan. Voor harde, compacte lagen zoals oerbanken of zware klei is de tandenbak echter onmisbaar. De tanden fungeren als beitels die de structuur openbreken voordat de bakrand de grond wegschept.
| Type variant | Kenmerk | Toepassing |
|---|---|---|
| Puinbak / Zeefbak | Voorzien van spijlen of gaten | Scheiden van stenen en grove brokken van de fijne grond. |
| Rotsbak | Versterkt met extra slijtstrippen | Extreem zwaar werk in mijnbouw of rotsachtige bodems. |
| Kabelbak | Zeer smal (bijv. 20-30 cm) | Precies graven van tracés voor nutsvoorzieningen. |
| Tapse bak | Zijkanten lopen wijd uit | Voorkomt dat de bak zich vastzuigt in vette klei. |
Verwarring ontstaat soms met de hooglepel. Hoewel ze op elkaar lijken, is het werkingsprincipe tegenovergesteld. De dieplepel werkt naar de machine toe en omlaag. De hooglepel graaft van de machine af en omhoog, zoals in een zandgroeve. Voor het fijne werk in de stad of bij renovaties is de dieplepel echter de onbetwiste standaard.
Denk aan een machinist op een 8-tons rupskraan die een sleuf moet trekken voor een nieuw riooltracé midden in een krappe woonwijk. Hij kiest een dieplepel met een breedte van 60 centimeter, uitgerust met scherpe tanden om door de compacte puinfundering van de oude weg te breken. Met korte, beheerste bewegingen trekt hij de bak naar de machine toe. Hij houdt exact de diepte aan die de laserontvanger op de steel aangeeft. Zodra de bak vol is, zwenkt de bovenwagen vijfennegentig graden en stort de grond direct in de bak van een wachtende dumper. Snelheid is hier essentieel.
Bij de bouw van een kleinschalige aanbouw is juist precisie vereist. Hier zie je vaak een minigraver aan het werk met een smalle dieplepel zonder tanden, de zogenaamde mesbak. De machinist graaft een sleuf van 40 centimeter breed voor de strokenfundering. Doordat de bak een recht mes heeft, blijft de bodem van de sleuf snaarstrak en ongeroerd. Dit is cruciaal voor de draagkracht. Geen losse grond onder het beton. Handwerk met de schep wordt zo tot een minimum beperkt.
Langs een provinciale weg moet een bermsloot worden uitgediept. De mobiele graafmachine staat op de wegverharding en reikt met de giek over de zachte berm heen. De brede slootbak zakt in het troebele water en schraapt over de bodem. Met een vloeiende beweging trekt de machinist de bak omhoog langs het talud. Begroeiing en slib verdwijnen in één haal. De dieplepel bewijst hier zijn waarde door diep onder het eigen niveau van de machine krachtig materiaal naar zich toe te trekken. Het resultaat is een schoon profiel.
In de sloopsector kom je de dieplepel tegen in de vorm van een zeefbak. Tijdens het uitgraven van een oude fundering schept de machinist een volle bak puin en grond op. Door de bak licht te schudden, valt de fijne grond door de spijlen terug in de put. Alleen het schone betonpuin blijft achter. Dit scheidt afvalstromen direct aan de bron. Efficiëntie op de vierkante meter.
Een dieplepel moet voldoen aan de Europese Machinerichtlijn. De CE-markering op het typeplaatje is hiervan het zichtbare bewijs. Zonder deze markering mag het hulpstuk officieel niet in gebruik worden genomen op de bouwplaats. Voor de technische constructie is de norm NEN-EN 474 leidend. Deze norm stelt specifieke eisen aan de mechanische sterkte en de manier waarop de bak aan de machine wordt bevestigd. Vooral de borging bij snelwisselsystemen is een kritiek punt in de regelgeving om te voorkomen dat een bak onverhoopt loskomt tijdens de werkzaamheden. Een loslatende bak veroorzaakt immers direct levensgevaarlijke situaties voor grondwerkers in de nabijheid.
Werken met een dieplepel brengt verplichtingen met zich mee onder de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON). Voordat de bak de grond raakt, is een graafmelding bij het Kadaster verplicht. Dit staat bekend als de KLIC-melding. Het geldt voor elke vorm van mechanisch grondverzet. De Arbowet schrijft daarnaast voor dat graafmachines inclusief hun uitrustingsstukken periodiek gekeurd moeten worden door een deskundige instantie. Tijdens zo'n keuring wordt gekeken naar haarscheuren in de lasnaden, de staat van de ophangoren en de slijtage van de pennen en bussen. Veiligheid is geen optie. Het is een vereiste.
Joostdevree | Pladdet | Vangaever | Deleks