Het proces start dikwijls bij de stelploeg op de bouwplaats. Terwijl de wanden verrijzen, worden inmetselkozijnen met houten spreidlatten en schoren exact te lood en in de haak gepositioneerd. Elke afwijking in dit stadium resulteert onherroepelijk in een klemmen van het deurblad of ongewenst openvallen. Montagekozijnen in de afbouwfase vragen een andere benadering. Hierbij vindt de fixatie meestal plaats met mechanische verankering of montageschuim in de vooraf uitgespaarde muuropeningen.
Afhangen vereist precisie. Het eigenlijke proces draait om de beheersing van de omtrekspeling. De vakman controleert eerst of het deurblad vlak is en niet scheluw getrokken. Vervolgens worden de inkrozingen voor de scharnieren of paumelles met een bovenfrees en een sjabloon in zowel de kozijnstijl als de deur aangebracht. Hierbij is de diepte van de inkrozing bepalend voor de draainaad. Een fractie te diep en de deur 'veert' tegen het kozijn. Eenmaal gemonteerd volgt de controle op een gelijkmatige naad van doorgaans twee millimeter aan de bovenzijde en de sluitzijde.
De finale handelingen richten zich op het hang- en sluitwerk. Slotkastuitsparingen worden ingefreesd waarbij de voorplaat exact vlak moet liggen met de kopse kant van de deur. Het plaatsen van de sluitplaat of sluitkom in de kozijnstijl luistert nauw; de dagschoot moet soepel vallen zonder dat het blad rammelt of juist met brute kracht dichtgetrokken moet worden. Bij functionele deursets voor brand- of geluidswering wordt bovendien toegezien op de ononderbroken montage van opschuimende strips of kaderdichtingen en de juiste afstelling van de deurdranger.
De classificatie van deuren begint bij de wijze waarop ze in de ruimte bewegen. De meest gangbare variant is de draaideur, die met scharnieren of paumelles aan de zijkant in het kozijn hangt. Voor smalle ruimtes of esthetische accenten wordt vaak uitgeweken naar de schuifdeur. Deze loopt via een rail in of voor de wand langs, wat een aanzienlijke ruimtebesparing oplevert. Minder gangbaar in de woningbouw maar populair in commerciële projecten is de taatsdeur. Een dergelijk blad draait om een verticale as die zich niet op de hoek, maar op een willekeurig punt in het vlak bevindt. Geen kozijn nodig; de techniek zit volledig in de vloer en het plafond verwerkt.
Pendeldeuren, in de volksmond ook wel doorslaande deuren genoemd, kunnen naar beide zijden openzwenken en keren door een veerconstructie altijd terug naar de nulstand. Voor zeer grote openingen of industriële toepassingen zien we vaker vouwdeuren of sectionaaldeuren, waarbij het oppervlak in segmenten is opgedeeld om de draaicirkel te minimaliseren. Elk mechanisme stelt specifieke eisen aan de bouwkundige constructie eromheen.
In de Nederlandse bouw is het onderscheid tussen stompe deuren en opdekdeuren cruciaal voor de detaillering van het kozijn. Een stompe deur valt volledig binnen het kozijn. De naden zijn rondom zichtbaar en de afstelling luistert nauw. Het is de standaard voor buitendeuren en hoogwaardig binnenwerk. De opdekdeur daarentegen is voorzien van een opdekrand die over de kozijnstijlen heen valt. Hierdoor is de naad tussen deur en kozijn niet zichtbaar en wordt tocht effectiever geweerd. Montage is vaak eenvoudiger door het gebruik van insteekpaumelles, al is de draairichting bij opdekdeuren onherroepelijk vastgelegd bij productie.
| Kenmerk | Stompe deur | Opdekdeur |
|---|---|---|
| Positie | Valt in het kozijn | Valt deels over het kozijn |
| Aansluiting | Vlak met de wand/kozijn | Ligt op het kozijn |
| Hangwerk | Bladscharnieren | Paumelles |
| Tochtdichting | Matig zonder strips | Goed door overlap |
Naast vorm en beweging bepaalt de prestatie-eis het type. Brandwerende deuren zijn opgebouwd uit hittebestendige materialen en voorzien van strips die bij hitte opschuimen. Ze worden geclassificeerd in minuten, zoals WBDBO 30 of 60. Geluidsisolerende deuren hebben een verzwaarde kern, vaak van kurk of volspaan, gecombineerd met een automatische valdorpel die de kier bij de vloer hermetisch afsluit zodra de deur sluit. Inbraakwerendheid wordt gedefinieerd in weerstandsklassen (RC), waarbij het samenspel tussen de deurbladstijfheid en het meerpuntsslot de doorslag geeft. Een deur is zelden zomaar een deur; het is een technisch antwoord op een specifieke locatie-eis.
Een stalen taatsdeur in de hal van een moderne villa. Geen kozijn te zien. De deur draait om een verticale as in de vloer en het plafond. Het glazen blad zwaait naar beide kanten open en blijft op negentig graden even vaststaan. Een minimalistische oplossing waarbij de techniek volledig aan het oog is onttrokken.
Renovatie van een zorginstelling. Hier kom je brandwerende deursets tegen in de lange gangen. De deuren zijn opvallend zwaar door de dichte kern. Bovenaan zit een deurdranger die de deur gecontroleerd sluit. In de sponning zie je een zwarte strip. Bij extreme hitte zwelt dit materiaal op om de rook buiten de kamer te houden. Veiligheid door massa.
De klassieke stompe deur in een herenhuis. Het blad valt exact binnen het houten kozijn. De naden rondom zijn overal exact drie millimeter. Je ziet de drie of vier rvs-scharnieren diep in het hout verzonken. Het vraagt om een vakman met een scherpe beitel en een vaste hand om dit zonder klemmen te laten draaien.
In een hotelkamer draait alles om geluidsisolatie. Zodra de gast de deur dichttrekt, hoor je een zachte mechanische klik onderaan. Een automatische valdorpel komt uit de onderkant van de deur naar beneden. Deze sluit de kier met de vloer hermetisch af. Geen lichtstraal uit de gang, geen gestommel van koffers. Stilte.
Standaard woningbouw. De opdekdeur naar de berging onder de trap. De rand van de deur valt over het witte stalen kozijn heen. Montage is een kwestie van minuten. De paumelles worden in de voorgeboorde gaten van het kozijn gestoken en de deur wordt erop gehangen. Functioneel en kostenefficiënt.
In het Nederlandse bouwlandschap is een deur geen vrijblijvend object. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) dicteert stringente regels voor de vrije doorgang. Voor nieuwbouw is een breedte van minimaal 850 millimeter en een hoogte van 2300 millimeter vaak de harde ondergrens. Toegankelijkheid staat hierbij centraal. Voor publieke gebouwen of woningen met een specifieke zorgfunctie gelden aanvullende richtlijnen, dikwijls gebaseerd op de NEN 1814 voor ergonomie en drempelloze doorgangen.
Brandveiligheid vormt een kritisch hoofdstuk. In brandwerende wanden moeten deuren voldoen aan de WBDBO-eisen, waarbij de weerstand tegen branddoorslag meestal op 30 of 60 minuten wordt vastgesteld conform de Europese testnorm NEN-EN 1634-1. Het volstaat niet om enkel een brandwerend blad te monteren; de volledige configuratie inclusief kozijn, hang- en sluitwerk en zwelstrips moet als systeem zijn beproefd. Gecertificeerde deursets zijn hier de enige veilige keuze. Geen losse componenten combineren zonder bewijs van prestatie.
Inbraakpreventie is juridisch verankerd via de NEN 5096. Voor het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PKVW) is weerstandsklasse 2 (RC2) de standaard voor alle bereikbare deuren in de gebouwschil. Fabrikanten zijn bovendien verplicht een prestatieverklaring (DoP) op te stellen onder de CE-markering. Voor buitendeuren is de productnorm NEN-EN 14351-1 leidend. Zonder dit document mag een deur simpelweg niet worden verhandeld op de Europese markt. Hierin staan ook de prestaties op het gebied van luchtdoorlatendheid en waterdichtheid zwart op wit, parameters die direct de energieprestatiecoëfficiënt van het totale bouwwerk beïnvloeden.
Prehistorie. Een opening in een wand. Huiden of gevlochten rietmatten fungeerden als de eerste barrière tegen de elementen. De overgang naar solide constructies markeerde een technisch kantelpunt. In Mesopotamië en het oude Egypte verschenen de eerste houten deuren, vaak van schaars ceder- of acaciahout, gemonteerd op verticale pennen die draaiden in stenen holtes in de vloer en de bovendorpel. Geen scharnieren zoals wij die kennen. Pure zwaartekracht en wrijving.
In de middeleeuwen verschoof de focus naar robuustheid en defensie. De klamperdeur werd de standaard. Verticale planken, bijeengehouden door horizontale regels en vaak een diagonale schoor om uitzakken te voorkomen. Smeedijzeren beslag was hierbij niet decoratief; de lange hengen verdeelden het enorme gewicht van het eikenhout over de posten. Zonder dit ijzerwerk zou de deur simpelweg bezwijken onder zijn eigen massa. Ambachtelijk smeedwerk bepaalde de levensduur.
De renaissance bracht de paneeldeur. Een constructieve revolutie. Door een raamwerk van stijlen en dorpels te vullen met losse panelen, werd de natuurlijke werking van hout getemd. Hout krimpt en zwelt onder invloed van vocht. In een paneelconstructie kan de vulling vrij bewegen in de groeven van het regelwerk zonder dat de totale deurmaat wijzigt. Stabieler. Lichter. Esthetisch superieur.
Industrialisatie in de 19e eeuw dwong tot standaardisatie. De timmerman die op locatie een uniek blad op maat schaafde, maakte plaats voor de fabrieksproductie. Na 1945 versnelde dit proces met de introductie van de boarddeur. Een lichtgewicht honingraatkern tussen twee lagen hardboard. Goedkoop en snel te produceren voor de massale woningbouw. De laatste decennia verschoof de aandacht van puur vorm naar gecertificeerde prestaties. De deur transformeerde van een simpel draaiend paneel naar een complex technisch systeem waarbij brandwerendheid, luchtdichtheid en inbraakbeveiliging integraal worden meegeproduceerd.