DBFM-contract

Laatst bijgewerkt: 14-01-2026


Definitie

Een DBFM-contract is een integrale contractvorm waarbij een private opdrachtnemer verantwoordelijk is voor het ontwerp, de bouw, de financiering en het meerjarige onderhoud van een project.

Omschrijving

Geld regeert de bouwplaats bij DBFM. De opdrachtnemer, vaak een consortium van bouwers en financiers, neemt niet alleen de troffel in de hand maar brengt ook de portemonnee mee. In plaats van een eenmalige betaling voor een opgeleverd gebouw of viaduct, ontvangt de partij een periodieke beschikbaarheidsvergoeding. De overheid koopt hiermee geen beton, maar een dienst. Is de weg dicht door een verzakking? Dan stopt de betaling direct. Dit dwingt een fundamentele verschuiving af in het denken: van 'hoe bouw ik dit zo goedkoop mogelijk' naar 'hoe houd ik dit dertig jaar lang zonder gedoe in de lucht'. De focus ligt volledig op de levenscycluskosten van het object. Ontwerpbeslissingen worden getoetst aan de toekomstige onderhoudslast. Elk detail telt, want een fout in de fundering is dertig jaar lang een financieel hoofdpijndossier voor de aannemer zelf.

Methodiek en uitvoering

De procesgang start bij de vertaling van een publieke behoefte naar strikte outputspecificaties. Geen blauwdrukken. Geen gedetailleerde bestekken. De opdrachtgever stelt vast wat het object moet kunnen, niet exact hoe het moet worden gebouwd. Tijdens de aanbestedingsfase, vaak een complexe concurrentiegerichte dialoog, vindt de cruciale afstemming over de risicoverdeling plaats. Een Special Purpose Vehicle (SPV) wordt opgericht. Deze projectvennootschap fungeert als het juridische en financiële middelpunt dat kapitaal aantrekt bij banken en institutionele beleggers.

De realisatiefase verloopt onder volledige regie van het consortium. De financiering staat op hun conto. De overheid kijkt mee via Systeemgerichte Contractbeheersing (SCB). Marginale toetsing is de norm. De focus ligt op het verifiëren of de kwaliteitscriteria voor de toekomstige exploitatiefase worden gehaald. Pas bij de feitelijke openstelling of de beschikbaarstelling van het object start de betalingscyclus van de overheid. De beschikbaarheidsvergoeding.

Gedurende de meerjarige onderhoudsfase verschuift de focus naar prestatiebeheer. Monitoring gebeurt op basis van vooraf vastgestelde kritieke prestatie-indicatoren (KPI's). Functioneert een technische installatie niet? Is een rijbaan afgesloten? Dan worden kortingen op de periodieke vergoeding direct geëffectueerd. Dit dwingt tot een preventieve onderhoudsstrategie. Aan het einde van de looptijd, vaak na twintig tot dertig jaar, vindt een finale conditiemeting plaats. De overdracht terug naar de publieke partij gebeurt enkel wanneer de restwaarde en de technische staat voldoen aan de eisen die decennia eerder zijn vastgelegd.


DBFMO en de exploitatiecomponent

De meest prominente variatie op de standaard is DBFMO. Hierbij staat de 'O' voor Operate of exploitatie. Terwijl een DBFM-contract zich beperkt tot de fysieke instandhouding van het object, gaat een DBFMO-contract stappen verder in de operationele dienstverlening. Denk aan de facilitaire schil binnen een overheidsgebouw. Schoonmaak. Catering. Beveiliging. De private partner levert in dit model niet alleen een functionerend casco, maar beheert ook de volledige workflow binnen de muren. Dit type wordt veelvuldig toegepast bij de realisatie van rechtbanken, ministeries en penitentiaire inrichtingen waar de synergie tussen gebouw en gebruik cruciaal is.

Versoberde varianten: DBM en DBF

Niet elk project vereist de volledige integratie van financiering. Soms kiest een opdrachtgever voor een DBM-contract (Design, Build, Maintain). De financiering blijft hierbij in publieke handen. Waarom? Omdat de overheid vaak tegen gunstigere voorwaarden kapitaal kan aantrekken dan een privaat consortium. De prikkel voor lange-termijnkwaliteit blijft door de onderhoudscomponent behouden, maar de complexe financiële structuur van een Special Purpose Vehicle blijft achterwege. Een zeldzamere variant is de DBF-vorm, waarbij het onderhoud juist buiten de deur wordt gehouden, vaak omdat de opdrachtgever over een eigen gespecialiseerde onderhoudsdienst beschikt of de technische installaties liever in eigen beheer houdt.

Afbakening ten opzichte van Alliantie- en D&C-contracten

Verwarring ontstaat soms met de 'Alliantie'. Toch is de kern anders. Een Alliantie stoelt op gedeelde risico's en een gezamenlijke projectorganisatie. Bij DBFM vindt er een harde risico-overdracht plaats naar de private partij. De aannemer draagt de financiële gevolgen van tegenslagen volledig zelfstandig. Ook het verschil met een regulier Design & Construct (D&C) contract is fundamenteel. Bij D&C eindigt de bemoeienis van de bouwer meestal kort na de oplevering. In een DBFM-structuur begint de kritieke fase voor de aannemer pas na de voltooiing. De beschikbaarheid is de maatstaf. Niet louter het voltooien van het fysieke werk telt, maar de prestatie over dertig jaar.

Praktijksituaties en toepassingen

De verbreding van een rijksweg

Denk aan een groot traject zoals de A15. Waar een traditionele aannemer na de laatste asfaltlaag de hekken sluit en vertrekt, begint voor de DBFM-opdrachtnemer de financiële teller pas echt te lopen bij de openstelling. Beschikbaarheid is hier de heilige graal. Ontstaan er tijdens de exploitatiefase onvoorziene spoorvorming of gaten in het wegdek? De aannemer moet direct aan de bak. Gebeurt dit tijdens de spits, dan volgt een forse korting op de beschikbaarheidsvergoeding. Dit risico dwingt de bouwer om tijdens de constructiefase te investeren in hoogwaardiger asfalt en een robuustere fundering, zelfs als dit de initiële bouwkosten opdrijft.

Het moderne gerechtsgebouw

Bij de realisatie van een nieuwe rechtbank via een DBFMO-constructie kijkt het consortium decennia vooruit. Een architect stelt een glazen gevel voor die esthetisch prachtig is, maar de onderhoudsadviseur binnen het team grijpt in. Hij rekent voor dat de glasbewassing en de hittebelasting over dertig jaar een fortuin kosten. Er wordt gekozen voor een alternatief met betere isolatiewaarden en onderhoudsarme materialen. De focus ligt niet op de laagste stichtingskosten, maar op de laagste Total Cost of Ownership. De overheid betaalt maandelijks voor een functionerend, schoon en veilig gebouw zonder omkijken naar de technische installaties.

Waterbouwkundige constructies

Neem een nieuwe zeesluis. Het ontwerp moet bestand zijn tegen zoute corrosie en extreme mechanische belasting. In een DBFM-contract is het consortium verantwoordelijk voor de volledige financiering van de bouw. Indien de sluisdeuren door een technisch defect niet openen, kunnen zeeschepen de haven niet bereiken. De boetes die hiervoor in het contract staan, zijn vaak zo hoog dat ze de winstmarges van het project direct verdampen. Dit zorgt ervoor dat redundantie in de systemen — het dubbel uitvoeren van kritieke onderdelen — geen luxe is, maar een noodzakelijke verzekering voor de private partij.


Het juridische fundament en de UAV-GC

De Aanbestedingswet 2012 vormt het dwingende kader. Geen ontkomen aan. Voor DBFM-projecten is de concurrentiegerichte dialoog vaak de aangewezen procedure. Complex? Absoluut. Het stelt publieke opdrachtgevers in staat om met marktpartijen te sparren over innovatieve oplossingen voordat de definitieve inschrijving op tafel ligt. De UAV-GC 2005 fungeert hierbij als de administratieve ruggengraat voor de geïntegreerde contractvorm. Het regelt de fundamentele verantwoordelijkheidsverdeling. De verschuiving van een traditionele inspanningsverplichting naar een harde resultaatverplichting is juridisch verankerd in deze voorwaarden. Specifieke modelovereenkomsten van het Rijksvastgoedbedrijf en Rijkswaterstaat vullen de nuances in die standaardcontracten laten vallen. Risico's worden hierin expliciet gealloceerd. Wie draagt de kosten bij onvoorziene bodemverontreiniging? Wie is de klos bij vertraging door archeologische vondsten? De tekst in het contract is de wet tussen partijen.

Boekhoudkundige regels en de invloed van Eurostat

Eurostat-richtlijnen bepalen de houdbaarheid op de nationale balans. Een cruciaal, vaak onderschat punt. Voor de overheid is het veelal essentieel dat een project 'off-balance' wordt gekwalificeerd. Dit hangt volledig af van de overdracht van constructie-, beschikbaarheids- en vraagrisico’s conform het ESR 2010-stelsel (Europees Systeem van Rekeningen). Indien de private partij naar de zin van de Europese rekenmeesters onvoldoende risico draagt, telt de volledige investering mee als staatsschuld. Dit dwingt tot een messcherpe formulering van boeteclausules en kortingsmechanismen in de beschikbaarheidsvergoeding. Geen reëel risico bij de aannemer betekent een streep door de boekhoudkundige voordelen voor de staat. Daarnaast moeten de contracten voldoen aan de Comptabiliteitswet, die de rechtmatigheid van de langjarige financiële verplichtingen van de overheid waarborgt.

Historische ontwikkeling en de Britse invloed

De wortels van het DBFM-contract liggen in de Britse Private Finance Initiative (PFI) uit 1992. Een radicale breuk met het verleden. Terwijl overheden decennialang opereerden als gedetailleerde ontwerpers en directe financiers, dwong de Britse economische realiteit tot een verschuiving waarbij privaat kapitaal en risicobeheer centraal kwamen te staan. In Nederland landde deze gedachte eind jaren negentig. De overheid worstelde met grote infrastructuurprojecten die steevast buiten budget en planning liepen. Het antwoord? Publiek-Private Samenwerking (PPS). Niet meer sturen op de dikte van het asfalt, maar op de beschikbaarheid van de rijstrook.

De vroege jaren 2000 markeerden de definitieve doorbraak. De HSL-Zuid diende als een van de eerste complexe proeftuinen, al was de leercurve daar pijnlijk steil. Met de introductie van de UAV-GC in 2005 kreeg de markt een gestandaardiseerd juridisch kader dat de integrale verantwoordelijkheid van ontwerp tot onderhoud faciliteerde. Rijkswaterstaat en het toenmalige Rijksgebouwendienst (nu Rijksvastgoedbedrijf) Professionaliseerden hun opdrachtgeverschap. Van de traditionele RAW-bestekken naar outputspecificaties. Het Montaigne Lyceum in Den Haag geldt als een historisch ijkpunt; het was in 2003 het eerste project in Nederland dat via een DBFMO-constructie werd aanbesteed. Wat volgde was een golf van grote infrastructuurprojecten, zoals de Tweede Coentunnel en de verbreding van de A15, waarbij de focus definitief verschoof van bouwkosten naar de totale levenscycluskosten. De markt voor projectfinanciering werd volwassen. Banken en institutionele beleggers kregen een vaste stoel aan de ontwerptafel.


Gebruikte bronnen: