De analyse vangt aan met het vaststellen van de klimatologische randvoorwaarden aan weerszijden van de constructie. Men bepaalt de partiële waterdampspanning van zowel de binnenlucht als de buitenlucht op basis van de heersende temperatuur en relatieve vochtigheid. Parallel hieraan wordt de temperatuur op de overgangen tussen de verschillende materiaallagen berekend. Deze temperatuurgradiënt is noodzakelijk om de verzadigingsspanning per grensvlak te kunnen bepalen. Temperatuur bepaalt de limiet.
Elke laag in de constructieopbouw oefent weerstand uit tegen de dampstroom. De berekening van de feitelijke dampspanningsverdeling steunt op de equivalente luchtlaagdikte, de Sd-waarde, van elke component. Men deelt het totale verschil in waterdampspanning door de totale dampdiffusieweerstand van het gehele pakket. Hieruit volgt de dampstroomdichtheid. Door deze waarde per laag te verrekenen, ontstaat een stapsgewijze afname van de spanning van de warme naar de koude zijde. Een dampremmende laag veroorzaakt hierbij een significante daling in de grafiek, terwijl een ademende stuclaag nauwelijks invloed uitoefent.
De resulterende actuele dampspanningen worden grafisch uitgezet tegen de verzadigingsspanningslijn. Men vergelijkt de lijnen. Waar de actuele dampspanning de verzadigingslijn raakt of overschrijdt, vindt in de berekening condensatie plaats. Dit gebeurt vaak op het grensvlak tussen isolatie en een koude buitenschil. De methodiek maakt inzichtelijk of de gekozen laagvolgorde de dampstroom voldoende vertraagt voordat deze de koude zones van de constructie bereikt.
Dampspanningsdeling wordt meestal geassocieerd met de klassieke Glaser-methode. Deze stationaire berekening gaat uit van vaste maandgemiddelden en een lineair verloop van de temperatuur en dampdruk. Het is een beproefd model. Toch kent het beperkingen omdat het geen rekening houdt met zonne-instraling, capillaire wateropname of de bufferende werking van materialen. Het is een veilige, maar soms te conservatieve benadering van de werkelijkheid.
Tegenover de stationaire deling staat de dynamische hygrothermische simulatie, vaak uitgevoerd met software zoals WUFI. Hierbij wordt de dampspanning per uur berekend op basis van realistische weerdata. Deze variant kijkt verder dan alleen diffusie. Het betrekt vloeistoftransport en de invloed van de oriëntatie van de gevel in de analyse. Waar de standaardberekening faalt bij complexe, dampopen constructies of monumentale muren met na-isolatie, biedt de dynamische variant de nodige diepgang.
In het Nederlandse klimaat spreken we doorgaans over de winterse dampspanningsdeling. De stroom loopt van binnen naar buiten. Eenvoudig. Maar bij koelcellen of zwaar gekoelde gebouwen in de zomer kan er sprake zijn van omgekeerde dampspanning. Het vocht drukt dan van de warme buitenlucht naar de gekoelde binnenzijde. Dit fenomeen vereist een volledig andere materiaalopbouw, waarbij de dampremmer juist aan de buitenzijde van de isolatie gepositioneerd moet worden om condensatieschade te voorkomen. Het principe blijft hetzelfde, maar de gradiënt draait 180 graden om.
Verwar de dampspanningsdeling niet met de temperatuurverdeling, hoewel ze onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De temperatuur bepaalt namelijk de verzadigingslijn, maar de dampspanningslijn zelf wordt uitsluitend gedicteerd door de dampdiffusieweerstand van de lagen. Een ander verwant maar afwijkend concept is de dampstroomdichtheid. Terwijl de spanningsdeling de druk op specifieke punten in de wand aangeeft, beschrijft de stroomdichtheid de totale hoeveelheid vocht die per vierkante meter door de constructie migreert. De een is een statusoverzicht, de ander een transportmaat.
Stel je een plat dak voor met een bitumen dakbedekking. De bitumenlaag is nagenoeg dampdicht. Zonder dampremmer aan de warme zijde blijft de dampspanning in de minerale wol nagenoeg gelijk aan de binnensituatie; de druk kan immers nergens heen. Zodra deze waterdamp de koude onderzijde van het bitumen raakt, keldert de verzadigingsspanning door de lage buitentemperatuur. De lijnen in de grafiek kruisen elkaar onherroepelijk. Het resultaat is condensatie aan de onderzijde van de dakbedekking. Een berekening van de dampspanningsdeling maakt direct zichtbaar dat een PE-folie direct boven het plafond de druk moet 'smoren' voordat deze de isolatie intrekt.
Bij de renovatie van een monumentale gevel met binnenisolatie wordt de analyse nog kritischer. De massieve bakstenen buitenmuur wordt niet meer verwarmd door warmteverlies van binnenuit. Hij blijft ijskoud. De dampspanningsdeling toont hier een scherpe daling bij de dampremmende folie achter de gipsplaat. Maar elk lekje in die folie, een stopcontact of een doorvoer, is een risico. De lokale dampspanning schiet omhoog en bereikt het koude grensvlak tussen steen en isolatiewol. Daar condenseert het vocht, wat op termijn leidt tot houtrot in balkkoppen die in de muur rusten.
In een koelcel draait de wereld om. Buiten is het 30 graden met een hoge luchtvochtigheid, binnen vriest het. De hoogste dampspanning bevindt zich nu buiten. De berekening dwingt de constructeur om de dampremmende laag aan de buitenzijde van de isolatiepanelen te plaatsen. Zou men de traditionele volgorde van een woonhuis aanhouden, dan drukt de zomerse buitenlucht het vocht dwars door de isolatie heen naar de koude binnenwand. De dampspanningsdeling fungeert hier als de blauwdruk voor de juiste gelaagdheid.
De methodiek achter dampspanningsdeling is niet vrijblijvend. Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) stelt stringente kaders voor de gezondheid en veiligheid van gebouwen. Een constructie mag simpelweg geen gevaar opleveren voor de bewoners door overmatige vochtigheid of schimmelvorming. Hier komt de berekening om de hoek kijken. Voor het aantonen dat een constructieopbouw voldoet aan de eisen tegen inwendige condensatie, wordt standaard verwezen naar de rekenmethode uit NEN-EN-ISO 13788. Deze norm legt vast hoe we het risico op condensatie en kritische oppervlaktevochtigheid in kaart brengen. Het is de technische vertaling van de juridische plicht tot een deugdelijk binnenklimaat. Geen berekening betekent vaak geen bewijs van conformiteit.
Daarnaast speelt NEN 2778 een cruciale rol bij de vochtwering van gebouwen. De wetgever verlangt dat een scheidingsconstructie voldoende weerstand biedt tegen vocht van zowel buiten als binnen. Hoewel de wet niet direct de term 'dampspanningsdeling' dicteert, is het uitvoeren van een dergelijke analyse de enige weg om feitelijk te bewijzen dat aan de prestatie-eisen uit het BBL wordt voldaan. Vooral bij na-isolatie is dit kritiek. Een foutieve gelaagdheid leidt onherroepelijk tot niet-conforme bouwdelen. De toetsing vindt plaats in de vergunningsfase of bij het opstellen van een technisch dossier onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). De kwaliteitsborger controleert of de dampspanning in de praktijk geen schade veroorzaakt.
De fundamenten van de moderne dampspanningsberekening liggen in de jaren vijftig van de vorige eeuw. De Duitse natuurkundige Helmut Glaser publiceerde in 1958 zijn baanbrekende methode om condensatie in koelcelwanden grafisch te bepalen. Vóór die tijd vertrouwden bouwmeesters op empirische kennis. Dikke, massieve muren boden voldoende bufferend vermogen om vochtschommelingen op te vangen. De massieve bouwstijl maskeerde veel problemen. Met de opkomst van dunne, gelaagde constructies en de grootschalige introductie van isolatiematerialen na de oliecrisis, werd het risico op inwendige condensatie plotseling een kritieke factor in het constructief ontwerp.
Isolatie koelt de buitenschil af. Dit vergroot het temperatuurverschil over de doorsnede. In de jaren tachtig en negentig werden de berekeningen gestandaardiseerd in nationale en internationale normen, zoals de NEN-EN-ISO 13788. Men stapte af van ruwe schattingen. De handmatige rekenschema's en grafieken op millimeterpapier maakten plaats voor digitale spreadsheets en later voor geavanceerde software. De introductie van dynamische simulatiemodellen aan het eind van de twintigste eeuw betekende een radicale breuk met de statische methode van Glaser. Waar de oorspronkelijke theorie uitging van stationaire maandgemiddelden, houdt de hedendaagse praktijk rekening met variabele factoren zoals zonne-instraling en capillaire vloeistoftransporten. De methodiek is getransformeerd van een eenvoudige controle op condensatie naar een integrale analyse van de hygrothermische prestatie van de gehele gebouwschil.