Positionering is alles. De houten secties, vaak logge spantbenen of hanebalken, worden eerst exact in het juiste vlak gesteld en tijdelijk vastgezet om verschuiving tijdens de bewerking te voorkomen. Een boor vreet zich daarna in één vloeiende beweging door het gehele houtpakket heen. Dit waarborgt dat de boorgaten in de afzonderlijke houten elementen perfect op elkaar aansluiten, wat essentieel is voor een zuivere passing van de boutschacht. Men voert de bout in. Soms met overtuiging en een hamer.
Aan weerszijden van het houtpakket worden forse volgplaten of carrosserieringen aangebracht. Deze metalen schijven verdelen de axiale krachten over een groter oppervlak van de houtvezels, waardoor de boutkop en moer niet in het zachte materiaal worden getrokken. De moer wordt vervolgens aangetrokken met handgereedschap of een slagmoersleutel tot de vereiste voorspanning is bereikt.
De onderdelen worden hierbij zo krachtig tegen elkaar geperst dat de wrijving tussen de raakvlakken de overhand neemt en de verbinding als één rigide geheel fungeert. Na de eerste droogperiode van het gebouw volgt in de regel een inspectieronde. Moeren worden dan nagetrokken. Het hout krimpt immers altijd onder invloed van het binnenklimaat, wat de spanning op de verbinding kan doen afnemen.
In de praktijk domineert de klassieke zeskantbout. Deze biedt de monteur maximale grip voor zware steeksleutels of krachtige slagmoersleutels. Soms volstaat een standaardlengte niet. Vooral bij complexe knooppunten waar meerdere spantbenen en koppelstukken samenkomen. In die gevallen wijkt de timmerman uit naar draadeinden op rol of in lengtes van een meter. Men zaagt deze op maat. Aan beide uiteinden komt een moer. Dit is technisch gezien geen bout meer, maar vervult exact dezelfde structurele functie binnen de kapconstructie.
Niet elk staal is gelijk. Voor dragende houtconstructies is sterkteklasse 8.8 de standaard. Een lagere klasse, zoals 4.6, vloeit te snel onder extreme belasting. Het resultaat? Een zwabberende kap. Wat betreft de afwerking voert verzinkt staal de boventoon. Elektrolytisch verzinkt volstaat binnenshuis. Voor open kapschuren of blootgesteld houtwerk is thermisch verzinken echter bittere noodzaak om corrosie door inwaaiend vocht of condensatie tegen te gaan.
Verwarring ligt op de loer bij de slotbout. De slotbout heeft een gladde, ronde kop en een vierkante aanzet onder die kop. Esthetisch superieur. Constructief vaak inferieur voor zware kapconstructies. Bij een dakspantbout draait alles om de voorspankracht. Een zeskantbout laat zich simpelweg harder aandraaien zonder dat de kop in het hout dol draait of de vezels onnodig verbrijzelt.
De dakspantbout werkt zelden alleen. Vaak ziet men de combinatie met bulldog-ringen of kramplaten. Deze getande ringen worden tussen de houten delen geplaatst. De bout fungeert hierbij als de motor die de tanden in het hout perst. Zonder deze bout zou de kramplaat zijn werk niet kunnen doen; zonder de kramplaat zou de bout alle afschuifkrachten alleen moeten opvangen op een relatief klein contactoppervlak van de boutschacht.
Een klassieke zolderrenovatie waarbij de hanebalken worden verhoogd voor meer loopruimte. De timmerman klemt de nieuwe balk tegen het spantbeen en boort in één keer door beide diktes heen. Hij schuift een M12-dakspantbout door het gat. Aan de andere kant volgt de volgplaat en de moer. Met een ratel wordt de verbinding vastgezet tot de houtvezels licht samengedrukt worden; de balken zitten nu onwrikbaar vast.
Bij de bouw van een open kapschuur blijven de constructieve verbindingen in het zicht. Hier zie je de zeskantkoppen van de bouten strak tegen het hout aanliggen, vaak voorzien van een thermisch verzinkte laag die matgrijs van kleur is. De bout steekt aan de achterzijde net twee of drie draadgangen uit de moer. Dit is vakwerk. Het ziet er niet alleen solide uit, het is de ruggengraat van het dak.
Inspectie na de eerste winter. Het hout is door de centrale verwarming gaan werken. De bewoner merkt dat een moer op de vliering met de hand te draaien is. Dit is het moment voor onderhoud. Met een dopsleutel draait de vakman de moeren weer aan tot de oorspronkelijke voorspanning is hersteld. Een simpele handeling die voorkomt dat het dak gaat 'werken' of kraken bij zware storm.
Soms tref je een knooppunt aan waar drie balken samenkomen. De standaardbout is dan te kort. In zo'n situatie zie je een draadeind dat exact op maat is gezaagd, met aan beide kanten een moer en een forse carrosseriering. Het is een functionele oplossing voor een dik pakket hout van soms wel dertig centimeter.
Veiligheid boven alles. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) vormt het wettelijk fundament waaraan elke constructie moet voldoen. De mechanische weerstand van een houten kap is hierbij direct gekoppeld aan de rekenregels uit NEN-EN 1995-1-1, ook wel bekend als Eurocode 5. Deze norm bepaalt exact hoe een boutverbinding in hout berekend moet worden. Factoren zoals de effectieve dikte van het hout en de minimale randafstanden van de boorgaten staan hierin vastgelegd. Geen nattevingerwerk. De dakspantbout zelf valt onder de productnorm NEN-EN 14592. Hierin zijn de eisen voor de mechanische eigenschappen en de corrosiebestendigheid vastgelegd.
De sterkteklasse 8.8 is de norm voor dragende houtconstructies conform NEN-EN-ISO 898-1. Lagere klassen zijn onvoldoende voor de dynamische belastingen op een dakvlak. Denk aan windstoten of sneeuwlast. De wetgever verlangt dat een constructie gedurende de beoogde levensduur veilig blijft. Daarom is de keuze voor de juiste corrosiebescherming conform NEN-EN-ISO 1461 essentieel voor bouten in de buitenlucht of in onverwarmde ruimtes. Thermisch verzinken dus. Een bout die faalt door corrosie tast de algehele stabiliteit aan en voldoet daarmee niet aan de wettelijke zorgplicht. Regelgeving vereist bovendien dat kritieke verbindingen bereikbaar blijven voor inspectie en onderhoud. Hout krimpt. Bouten kunnen lossen. Het periodiek natrekken van de moeren is niet alleen vakmanschap, maar een noodzaak om aan de geldende veiligheidsnormen te blijven voldoen.
Vroeger hielden houten pennen de wereld omhoog. In de traditionele houtbouw vormden toogpennen van hard eikenhout de enige manier om spantverbindingen te zekeren. Geen staal. Enkel de mechanische spanning van een conische pen in een verspringend boorgat. Dit ambacht vereiste enorme precisie; het hout werkte, de pennen kropen en de constructie zette zich door de jaren heen. Met de opkomst van de industriële revolutie veranderde alles. Gesmede ijzeren bouten vervingen langzaam de houten verbindingen. Aanvankelijk was dit maatwerk van de dorpssmid. Elke bout was uniek, elke moer handgevijld.
De echte kanteling kwam met de standaardisatie van schroefdraad en metaallegeringen aan het begin van de twintigste eeuw. Bouten werden massa-artikelen. De introductie van metrische draad (M) zorgde ervoor dat de timmerman niet langer afhankelijk was van de lokale smid maar kon rekenen op constante maten. In de wederopbouwperiode na 1945 versnelde de ontwikkeling; daken moesten sneller, efficiënter en lichter. De dakspantbout zoals we die nu kennen, met een gedefinieerde sterkteklasse zoals 8.8, is het resultaat van deze drang naar voorspelbaarheid. Constructeurs konden voortaan rekenen met exacte treksterktes in plaats van schattingen op basis van houtkwaliteit. De verbinding werd een technisch calculatiemodel. Tegenwoordig is de bout niet meer weg te denken uit de systeemkap en de prefab-industrie, waar de overgang van ambachtelijke pen-en-gatverbinding naar snelle boutmontage de bouwtijd drastisch heeft verkort.