De realisatie van een dergelijk bouwwerk begint bij de zorgvuldige selectie van ruwe rotsblokken, waarbij de natuurlijke geometrie de leidraad vormt voor de uiteindelijke positionering. Men zoekt naar vlakken die, met minimale mechanische bewerking, een maximaal contactoppervlak bieden met de omliggende stenen. De zwaartekracht fungeert hierbij als de primaire kracht die de elementen op hun plaats houdt. Massa dicteert het proces.
Tijdens het stapelen worden de blokken zodanig geplaatst dat de zwaartepunten gunstig liggen ten opzichte van de onderliggende rijen. Het is een voortdurend proces van passen, meten en indien nodig handmatig bijsturen van de raakvlakken door middel van grove bekappingen. Kleine onregelmatigheden vangt men op door kleinere steenfragmenten in de holtes te drijven, wat de onderlinge wrijving vergroot en de zijdelingse stabiliteit van de wand waarborgt. De wanddikte is vaak aanzienlijk om de enorme verticale lasten te kunnen spreiden zonder dat de constructie uitbuikt. Geen vloeibare middelen. Alleen de pure wrijving van minerale oppervlakken.
Bij de opbouw van hoeken of doorgangen worden vaak de grootste, meest regelmatige blokken gebruikt om de structurele integriteit op kritieke punten te verstevigen. Het resultaat is een monolithisch ogend geheel. De stabiliteit wordt niet ontleend aan chemische hechting, maar aan de mechanische weerstand van het gesteente zelf tegen verschuiving. De muur zet zich onder zijn eigen gewicht. Naarmate de hoogte toeneemt, wordt de druk op de onderste lagen groter, wat de onderlinge verbinding paradoxaal genoeg alleen maar sterker maakt.
Soms vervaagt de grens tussen puur cyclopisch werk en polygonaal metselwerk. Het verschil zit in de bewerking. Waar de cyclopische variant vertrouwt op de natuurlijke vorm van de rots met minimale aanpassingen, worden stenen bij polygonaal metselwerk bewust in meerzijdige vormen gehakt. De voegen zijn daar strakker. Bijna naadloos. Het is een evolutie van brute stapeling naar geometrische puzzelkunst. In de archeologie spreekt men ook wel van opus siliceum, een verzamelnaam voor deze technieken in de Romeinse context.
In de hedendaagse civiele techniek leeft de term voort in een hybride vorm. Cyclopisch beton. Het proces is simpel maar effectief voor zware constructies zoals gewichtsadammen of massieve funderingen. Men stort vloeibaar beton in een bekisting en drukt daar vervolgens enorme rotsblokken, de zogenaamde 'plompen', in. Soms andersom. Eerst de stenen, dan het beton eromheen laten vloeien.
De stenen fungeren als goedkope vulstof. Ze verhogen de massa. Ze verminderen de hoeveelheid benodigde cementpasta. Dit is technisch gunstig omdat minder cement ook minder hydratatiewarmte betekent, wat de kans op krimpscheuren in dikke wanden verkleint. Het is de wet van de zwaartekracht, nu gebonden door een matrix van beton in plaats van louter wrijving.
Stel je de vestingmuren van een antieke burcht voor. Je staat voor een wand waar de individuele stenen groter zijn dan een volwassen man. Geen korrel cement te bekennen. De blokken grijpen als grillige puzzelstukken in elkaar, waarbij de enorme massa voorkomt dat er ook maar een millimeter beweging in zit. Dit is de essentie van de klassieke cyclopische bouwstijl: pure, onvervalste zwaartekracht.
Het gaat altijd om de indruk van onverzettelijkheid. Een wand die niet is gemetseld, maar is ontstaan uit een gevecht met de elementen.
In de moderne bouw staat veiligheid voorop. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt strikte eisen aan de constructieve integriteit van elk bouwwerk. Voor cyclopische constructies, die volledig leunen op massa en wrijving, betekent dit een directe link met de Eurocodes. NEN-EN 1997 (Eurocode 7) is hierbij leidend voor geotechnische ontwerpen zoals zware keermuren. De stabiliteit tegen kantelen en afschuiven moet rekenkundig worden aangetoond. Massa alleen is niet genoeg voor de wetgever. Men moet de wrijvingscoëfficiënt tussen de onregelmatige stenen conservatief inschatten om aan de vigerende veiligheidsfactoren te voldoen.
Bij het gebruik van cyclopisch beton verschuift de focus. Hier geldt NEN-EN 1992 (Eurocode 2) voor betonconstructies. Hoewel deze norm primair uitgaat van homogeen beton, vereist het toevoegen van grote 'plompen' specifieke aandacht voor de matrix. De wet schrijft voor dat de totale constructie moet fungeren als één monolithisch geheel. Geen losse stenen in een zwakke pasta. De kwaliteit van de vulstenen moet minstens gelijkwaardig zijn aan de beoogde sterkteklasse van het betonmengsel zelf.
Natuursteen in cyclopisch werk is geen vrijblijvende keuze. NEN-EN 13383-1, de norm voor breuksteen, kan van toepassing zijn bij grotere waterbouwkundige of civiele projecten. Deze norm stelt eisen aan de dichtheid, vormvastheid en vorstbestendigheid van de brokken. Steenrot is fataal voor een constructie zonder mortel.
Er zijn geen specifieke 'cyclopische paragrafen' in de wet. Het valt onder de algemene noemer van ongewapend metselwerk of massabeton. De bewijslast ligt bij de constructeur. Hij moet aantonen dat de grillige vormsluiting de krachten afdraagt zoals bedoeld in de basiseisen van de constructieve veiligheid. Geen ruimte voor aannames bij monumentale massa.
De bakermat van deze bouwwijze ligt in de Myceense beschaving tijdens de Late Bronstijd. Rond 1400 voor Christus. De muren van Mycene en Tiryns vormen de technische blauwdruk. Deze methodiek ontstond niet uit een esthetisch ideaal. Het was bittere noodzaak. Hydraulische mortels waren nog niet ontdekt. Men moest het doen met wat de natuur bood: massieve kalksteen en de onverbiddelijke wetten van de zwaartekracht. Defensie dicteerde de schaal. Onverwoestbaarheid was de enige norm.
Technologische progressie toonde zich in de gradatie van steenbewerking. In de vroegste fasen bleven blokken nagenoeg onberoerd. Men stapelde op zicht en vulde gaten met puin. Gaandeweg veranderde dit. Raakvlakken werden rudimentair behakt om het contactoppervlak te vergroten. Meer wrijving betekende meer stabiliteit. De Etrusken en Romeinen verfijnden dit principe later in Centraal-Italië. De brute stapeling evolueerde naar een meer gecontroleerde vorm van inpassing. De overgang van willekeur naar bewuste geometrie markeert een technisch kantelpunt in de klassieke oudheid.
De opkomst van de Romeinse betonrevolutie stuwde de techniek naar de achtergrond. Kleinere stenen en mortel boden meer flexibiliteit en vereisten minder logistieke krachttoeren. Toch verdween de logica van de massa nooit volledig uit de constructieve gereedschapskist. Tijdens de industriële revolutie in de negentiende eeuw herleefde de belangstelling. Vooral bij de aanleg van monumentale waterbouwkundige werken zoals dammen en sluizen. De noodzaak om enorme volumes te vullen met minimale middelen leidde direct naar de hybride vormen die we vandaag kennen. De antieke methode werd geabsorbeerd door de moderne betontechnologie.