Geen ontwerp zonder mathematische orde. Alles begint bij de moduul. De onderste zuildiameter bepaalt namelijk de gehele verhouding van de kolom, waarbij de totale hoogte, inclusief basement en kapiteel, doorgaans wordt vastgesteld op een factor tien van deze basisunit. Bij de fysieke realisatie van de schacht worden vaak individuele trommels natuursteen nauwkeurig bovenop elkaar gestapeld. Doken houden de boel bijeen. Deze metalen pennen, vaak ingegoten met lood, voorkomen dat de segmenten verschuiven tijdens zijdelingse belasting, een essentiële techniek voor de duurzaamheid van het verticale element in de klassieke stapelbouw.
Het kapiteel vraagt geduld. Men start met een ruwe kelkvorm. Uit deze massieve klok houwt de steenhouwer de ornamentiek vrij, beginnend bij de onderste krans van acht bladeren, gevolgd door een tweede rij die de tussenruimtes opvult om een weelderig volume te creëren zonder de constructieve stevigheid van de kern aan te tasten. De cauliculi krullen sierlijk omhoog. Zij ondersteunen de hoekpunten. Het fries erboven blijft soms glad. In rijkere uitvoeringen ziet men echter doorlopend beeldhouwwerk in reliëf. De kroonlijst sluit af. Hierbij vormen modillons vaak de esthetische en constructieve overgang naar de daklijn, waarbij de diepe ondersnijdingen voor de karakteristieke schaduwwerking zorgen.
De Griekse variant vormt de basis. Deze vroege ontwerpen, zoals te zien bij het Monument van Lysicrates, zijn vaak slanker en minder gestandaardiseerd dan hun latere opvolgers. De Romeinse variant bracht de orde naar een technisch en esthetisch hoogtepunt. Romeinse architecten voegden de karakteristieke modillons toe aan de kroonlijst. Dit zijn rijk versierde consoles die de uitstekende dakrand ondersteunen. Er ontstond een systeem van vaste verhoudingen. De schacht kan zowel glad als gecanneleerd uitgevoerd worden. Bij een gecanneleerde schacht zijn de groeven diep en gescheiden door smalle dammetjes, wat de verticaliteit benadrukt en een levendig schaduwspel creëert.
Verwarring ligt vaak op de loer bij het onderscheid met de Composietorde. Dit is een hybride vorm. Men combineert hierbij de onderste twee kransen van acanthusbladeren van de Corintische orde met de grote, diagonale voluten van het Ionische kapiteel. Het is een visuele overtreffende trap. De Corintische orde behoudt echter haar kenmerkende kelkvormige silhouette, terwijl de Composietorde bovenin zwaarder en massiever oogt door de krullende hoekvoluten. In de Romeinse hiërarchie van bouworden staat de Composietorde zelfs nog boven de Corintische variant wat betreft decoratieve rijkdom.
Niet elke Corintische uiting is een vrijstaande zuil. De architectuur kent verschillende gradaties van ruimtelijkheid:
In de neostijlen van de negentiende eeuw zien we vaak kapitelen van gietijzer of terracotta. De vorm blijft Corintisch. Het materiaal is modern. Deze varianten maakten de weelderige stijl toegankelijk voor de burgerlijke architectuur, ver weg van de keizerlijke paleizen uit de oudheid.
Stel je een negentiende-eeuws gerechtsgebouw voor. De architect wil ontzag inboezemen. Hij kiest niet voor de sobere Dorische zuil. Voor de hoofdingang staan vier kolossale Corintische zuilen van zandsteen. De diepe groeven in de schachten dwingen de blik omhoog. Daar, vlak onder de kroonlijst, exploderen de kapitelen in een wirwar van stenen bladeren. Het oog blijft haken in de diepe schaduwen van het lofwerk. Status in steen gebeiteld.
Binnen in een monumentale kantoorvilla. Geen ruimte voor vrijstaande kolommen. De oplossing? Corintische pilasters. Ze steken slechts enkele centimeters uit het muurvlak. De acanthusbladeren zijn hier noodgedwongen platgedrukt, maar direct herkenbaar. Een subtiele ritmiek langs de lange gang. Klassiek decorum zonder de loopruimte te beperken. Het kapiteel fungeert hier puur als visueel rustpunt waar de wand overgaat in het plafond.
Een stationsperron uit 1890. Functioneel gietijzer. De kolom draagt een zwaar glazen dak. Ondanks het industriële materiaal is de kop van de kolom uitgevoerd als een Corintisch kapiteel. De bladvormen zijn meegegoten in de ijzeren mal. Een herkenbare vormentaal die de rauwe techniek van het ijzer verzacht. Esthetiek ontmoet industrie. De constructeur gebruikt de historische vorm om de overgang van de verticale drager naar de horizontale ligger visueel te verbreden.
De Corintische orde begon als een interieurarchitectonische innovatie. In de Griekse architectuur van de vijfde eeuw v.Chr. bleef de toepassing aanvankelijk beperkt tot de binnenzijde van tempels, zoals bij de Tempel van Apollo in Bassae. De Grieken zagen het kapiteel als een variant op de Ionische stijl. Een experiment. Pas met het Monument van Lysicrates in Athene (circa 334 v.Chr.) kreeg de orde een volwaardige plek in de exterieurarchitectuur. Het bood een technisch antwoord op het esthetische probleem van de hoekvoluten bij de Ionische orde; de Corintische variant is immers van alle vier de zijden identiek, wat de overgang bij hoekzuilen aanzienlijk vereenvoudigde.
Rome adopteerde de vorm en transformeerde deze tot de ultieme uiting van imperiale macht. Onder keizer Augustus vond een grootschalige standaardisatie plaats. De Romeinse architecten voegden de modillons — de rijk bewerkte consoles onder de kroonlijst — toe aan het entablement, waardoor de totale compositie nog massiever en imposanter werd. Het Pantheon in Rome toont de technische perfectie van deze fase: monolithische schachten van graniet gecombineerd met fijn gedetailleerde marmeren kapitelen. De orde werd hiermee de standaard voor publieke prestigegebouwen.
Herontdekking in de Renaissance. Architecten zoals Palladio en Vignola grepen terug op de geschriften van Vitruvius om de Corintische verhoudingen vast te leggen in strikte traktaten. De orde werd onderdeel van een hiërarchisch systeem. Onderaan de zware Dorische zuilen, bovenop de verfijnde Corintische varianten. In de barokperiode werd de ornamentiek nog verder opgezweept. De acanthusbladeren werden dieper uitgestoken voor maximaal contrast.
De negentiende eeuw bracht de grootste breuk met de traditie door de introductie van nieuwe productietechnieken. Geen ambachtelijk houwwerk meer. Gietijzer en terracotta deden hun intrede. Door het gebruik van gietmallen konden complexe Corintische kapitelen in serie worden geproduceerd voor de opkomende burgerlijke architectuur. Stations, postkantoren en bankgebouwen kregen een klassiek gezicht zonder de extreem hoge kosten van handmatig steenhouwwerk. De vorm bleef antiek, de uitvoering was puur industrieel. Dit democratiseerde de Corintische stijl, maar leidde ook tot een vereenvoudiging van de detaillering ten gunste van het gietproces.
Nl.wikipedia | Encyclo | Dbnl | Kunstgeschiedenis.jouwweb | Archeologieonline | Worldhistory