De vaststelling van de consistentieklasse geschiedt door het fysiek testen van de verse specie direct na de productie of bij aankomst op de bouwplaats. Men maakt gebruik van gestandaardiseerde meetinstrumenten om de vloeibaarheid te kwantificeren. Bij de zetmaat (slump) vult een laborant of uitvoerder een kegelvormige mal in meerdere lagen, waarbij elke laag handmatig wordt verdicht. Na het verticaal optrekken van de mal zakt de specie onder eigen gewicht in. De daling in millimeters vormt de maatstaf voor de S-klasse.
Voor mengsels met een hogere vloeibaarheid wijkt de praktijk uit naar de schudmaatproef. De specie komt op een houten tafel te liggen. Door het tafelblad een specifiek aantal malen gecontroleerd te laten vallen, vloeit de specie uit tot een cirkelvormige koek. De diameter van deze koek bepaalt de uiteindelijke F-classificatie. Het proces is vluchtig. De tijd tussen het vullen van de mal en de meting is cruciaal voor de zuiverheid van het resultaat. Bij zeer stijve mengsels, zoals die in de wegenbouw worden toegepast, meet men juist de verdichtingsmaat. De volumeverandering van losgestorte specie in een container na mechanische trilling staat hierbij centraal. Elke methode simuleert de wijze waarop het beton zich in de bekisting zal gedragen.
De indeling van consistentieklasses volgt een strikte logica op basis van de gebruikte testmethode, waarbij de letter in de codering direct verwijst naar de aard van de meting. Voor de meeste constructieve toepassingen in de woning- en utiliteitsbouw is de S-klasse (zetmaat) leidend. Deze reikt van S1 tot S5, waarbij S1 staat voor een zeer stijf mengsel en S5 voor een bijna vloeibare substantie die nauwelijks nog interne samenhang vertoont zonder hulpstoffen. In de dagelijkse praktijk is S3 de absolute standaard voor regulier stortwerk. Het laat zich goed verwerken, maar vereist nog steeds mechanische verdichting om de luchtinsluiting te minimaliseren.
Wanneer de vloeibaarheid toeneemt, verschuift de blik naar de F-klasse (schudmaat). Hierbij praten we over F1 tot en met F6. Waar een S-meting stopt bij het inzakken van een kegel, meet de F-waarde hoe ver de specie uitwaaiert over een horizontaal vlak. Het is een cruciale nuance. Een mengsel kan namelijk qua zetmaat gelijk zijn, maar onder dynamische belasting — zoals schudden of trillen — totaal ander vloeigedrag vertonen. Voor de wegenbouw en de productie van prefab elementen, waar men vaak werkt met zeer droge mengsels, wordt de V-klasse (verdichtingsmaat) of de C-klasse gehanteerd. Deze klasses beschrijven hoe de specie reageert op compressie, essentieel voor technieken zoals glijbekisting.
Buiten de reguliere klasses valt het zelfverdichtend beton (ZVB). Dit materiaal is zo vloeibaar dat de standaard S- of F-metingen niet langer toereikend zijn om de karakteristieken te vangen. Hiervoor gebruikt men de SF-klasse (vloeimaat). Hierbij wordt de diameter van de vloeikoek gemeten zonder dat de tafel wordt geschud. Het beton moet immers onder zijn eigen gewicht elke hoek van de bekisting opvullen. Het is een technisch uiterste. SF1, SF2 en SF3 markeren hier de gradaties in vloeisnelheid en viscositeit.
Het onderscheid tussen deze varianten is niet louter theoretisch. Een foutieve keuze tussen bijvoorbeeld een S2 en een S4 kan desastreuze gevolgen hebben voor de uitvoering. S2 is ideaal voor hellende vlakken of funderingsstroken waar de specie moet blijven 'staan'. S4 is daarentegen bijna vloeibaar en onmisbaar voor zwaar gewapende wanden waar een trilnaald nauwelijks tussen de staven past. Het is de balans tussen vloeibaarheid en stabiliteit. Te vloeibaar zonder de juiste chemie leidt tot bleeding; water dat naar de oppervlakte komt drijven terwijl het zware aggregaat naar de bodem zinkt. De consistentieklasse is dus meer dan een getal; het is de garantie voor een homogeen eindresultaat.
Stel je voor: een funderingsstrook in de koude klei. Je stort de specie direct uit de goot van de mixer. Het moet blijven liggen als een stevige berg. Geen waterballet. Hier zie je S2 in actie, bijna als een stugge massa die nauwelijks toegeeft aan de zwaartekracht.
Dan de woningbouw. Een standaardvloer op breedplaten. De betonpomp draait op volle toeren en de specie verspreidt zich traag over het ijzerwerk, een stroperige massa die de S3-stempel draagt. Je ziet de betonwerker met de trilnaald. Onmisbaar. De naald zingt door de specie om de boel compact te krijgen terwijl de massa loom rond de wapening walst.
Heel anders is het bij die smalle, hoog gewapende kelderwand waar het staal een ondoordringbaar woud vormt. Je krijgt er geen hand tussen. Hier heb je S4 of S5 nodig. Het beton vloeit als dikke soep en zoekt bijna uit zichzelf de kleinste hoekjes op. Geen grindnesten onderaan de kist. De vloeibaarheid doet het werk waar de trilnaald faalt.
Bij een hellende oprit naar een parkeerdek telt elke graad. Te vloeibaar beton verzamelt zich genadeloos onderaan de helling. Een ramp voor de afwerking. Je kiest hier voor een stijf mengsel dat 'staat' op het schuine vlak. Een technisch gevecht tegen de zwaartekracht waarbij de juiste klasse de enige bondgenoot is van de vakman.
De juridische grondslag voor het toepassen van betonmortel is stevig verankerd in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL). Dit besluit stelt functionele eisen aan de veiligheid en duurzaamheid van constructies. Voor de technische invulling daarvan verwijst het BBL naar de Eurocodes en specifiek voor beton naar de NEN-EN 206 in samenhang met de Nederlandse aanvulling NEN 8005. Deze normen zijn geen suggesties. Het zijn dwingende kaders.
De consistentieklasse fungeert binnen deze regelgeving als een essentiële parameter voor de kwaliteitsborging. Een afwijking in vloeibaarheid heeft direct invloed op de homogeniteit van het eindproduct. Wie water toevoegt op de bouwplaats om de verwerkbaarheid te verhogen, overtreedt feitelijk de normatieve afspraken. De water-cementfactor verschuift. De sterkteklasse komt in gevaar. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt juridisch vastgelegd bij de partij die de wijziging doorvoert of hiertoe opdracht geeft.
In de keten van kwaliteitsbewaking speelt het KOMO-productcertificaat een grote rol. Betoncentrales die onder dit certificaat leveren, garanderen dat de bestelde consistentieklasse binnen de vastgestelde tolerantiegrenzen van de NEN 8005 valt. Bij grootschalige infrastructuurprojecten kan daarnaast de RTD 1001 (Rijkswaterstaat Theoretische Dienst) aanvullende eisen stellen aan de consistentie in relatie tot de dekking op de wapening. Het niet voldoen aan de gespecificeerde klasse kan leiden tot afkeuring van de gehele stort.
Vroeger was beton stug. Stamponbeton. Arbeiders sloegen het mengsel handmatig aan met zware stampers tot een dichte massa in de bekisting ontstond. Geen sprake van klassen. Enkel de ervaring van de betonwerker telde. Hij zag aan de glans van de specie of de verhouding tussen cement, zand en water klopte. Met de introductie van gewapend beton in de vroege twintigste eeuw veranderde de technische behoefte fundamenteel. Het staal zat in de weg. De massa moest beweeglijker. In 1918 introduceerde Duff Abrams de kegelproef in de Verenigde Staten. Een simpel stuk plaatstaal in de vorm van een afgeknotte kegel. Dit instrument legde de basis voor de huidige S-klassen. Meetbaarheid verving het nattevingerwerk.
De Nederlandse regelgeving evolueerde mee. De oude Gewapend Beton Voorschriften (GBV) maakten plaats voor de VBT en uiteindelijk voor de Europese NEN-EN 206. De echte revolutie was chemisch. Tot de jaren zeventig was water de enige knop om aan te draaien voor een hogere vloeibaarheid. Een gevaarlijk spel. Meer water betekende immers een lagere sterkte en een poreuzer eindresultaat. De uitvinding van superplastificeerders doorbrak deze patstelling. Plotseling kon beton vloeien als water zonder aan constructieve integriteit in te boeten. De opkomst van de betonpomp in de jaren zestig en zeventig forceerde de definitieve stap naar de vloeibare consistenties. Een stugge S1-massa krijg je simpelweg niet door een pomp geduwd. De normering verschoof van statische beschrijvingen naar dynamische grenswaarden, waarbij de schudmaat (F-klasse) noodzakelijk werd om de nieuwe generatie plastische mengsels nauwkeurig te kunnen kwalificeren.