De integratie begint bij de onderste glaslijn. Daar waar de koude ruit de dorpel raakt, wordt het profiel strak tegen het glasoppervlak gepositioneerd om elke druppel direct te onderscheppen. Het water zoekt de weg van de minste weerstand. De vloeistof vloeit samen in de interne kamer van het profiel terwijl de zwaartekracht het naar de laagste punten dwingt. In de praktijk fungeert de goot als een tijdelijk reservoir. Dit verzamelde vocht wordt vervolgens via strategisch geplaatste afwateringsgleuven of kleine boorgaten naar de buitenwereld getransporteerd.
Bij houten kozijnen vindt de montage vaak plaats in een vooraf gefreesde sponning. Een subtiele helling is hierbij essentieel. Geen stilstaand water. De afvoeropeningen moeten vrij blijven van schilderwerk of vuilophoping om de capillaire werking te waarborgen. Bij voorzetramen bevindt de afvoer zich meestal in de spouw, waarbij een directe verbinding met de buitenlucht noodzakelijk is voor de drukvereffening. Het systeem balanceert continu tussen luchtdichtheid aan de binnenzijde en gecontroleerde ventilatie aan de buitenzijde. In grote glasoppervlakken van vliesgevels verloopt de uitvoering via een stelsel van interne kanalen. Het vocht wordt daar trapsgewijs van de horizontale regels naar de verticale stijlen geleid, waarna het aan de voet van de constructie verdwijnt.
Een klassiek herenhuis heeft nog origineel enkel glas. Op een koude winterochtend beslaan de ruiten volledig door de hoge luchtvochtigheid binnen. Zonder condensprofiel zou dit water de eikenhouten onderdorpel verzadigen. Een klein, op maat gebogen messing gootje onderschept de druppels nu direct onder de glaslijn. Het hout blijft droog. Het schilderwerk ook.
Bij de thermische isolatie van een kerkgebouw worden voorzetramen geplaatst. In de spouw tussen het glas-in-lood en de nieuwe ruit ontstaat onvermijdelijk condensatie bij snelle temperatuurwisselingen. Hier wordt een smal aluminium condensprofiel in de onderrand gefreesd. Het verzamelde vocht wordt via een subtiel boorgat door het kozijn heen naar buiten geleid. De luchtstroom blijft minimaal, maar de constructie is beschermd tegen inwendige rotting.
Een terrasoverkapping met polycarbonaat kanaalplaten vertoont vaak vochtvorming in de holle kamers van de kunststof plaat. Aan de onderzijde van de dakhelling is een geperforeerd U-profiel gemonteerd. Dit profiel dient als afsluiting én als afvoer. Het condenswater dat door de kanalen naar beneden zakt, druppelt via de perforaties gecontroleerd in de goot. Zo blijven de platen helder en wordt algengroei in de platen beperkt door een droger microklimaat.
Vochtwering is geen vrijblijvende keuze maar een dwingende eis in de Nederlandse bouwregelgeving. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt strikte voorwaarden aan de waterdichtheid en de beheersing van vochtstromen in de gebouwschil. Inwendige condensatie moet worden voorkomen of gecontroleerd afgevoerd om de constructieve integriteit niet in gevaar te brengen. NEN 3576 vormt hierbij de technische leidraad voor de glaszetter en timmerman. Deze norm specificeert de minimale eisen voor de ventilatie en ontwatering van de glas- en sponningruimte. Zonder een adequaat condensprofiel of drainagekanaal voldoet een raamsysteem simpelweg niet aan de gestelde prestatie-eisen voor duurzaamheid. Bij de renovatie van monumenten gelden specifieke uitvoeringsrichtlijnen van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit (ERK). Hierbij moet de balans worden gezocht tussen het behoud van historisch materiaal, conform de Erfgoedwet, en de noodzakelijke moderne ingrepen voor vochtbeheersing. Het gaat om het voorkomen van houtrot door accumulatie van condensvocht. De BRL 0801 voor houten gevelelementen verwijst eveneens indirect naar het belang van een correcte detailoplossing voor de afvoer van vocht onder de glaslijn. Geen stilstaand water. De wetgever eist een gezonde leefomgeving en dat begint bij droge constructies.
Het was vroeger simpelweg de realiteit van koud glas: water op de vensterbank. De 19e-eeuwse architectuur omarmde grotere glasvlakken terwijl de verwarmingstechniek nog in de kinderschoenen stond, wat leidde tot een constante stroom condens die houten onderdorpels genadeloos verzadigde. De eerste oplossing? Een simpel ingefreesd kanaaltje in het hout. Vaak handmatig bekleed met stroken lood of zink om het indringen in de houtnerf te vertragen. Ambachtelijk maar foutgevoelig.
Met de komst van de aluminium-extrusie halverwege de twintigste eeuw ontstond een technologische breuk. Geen tijdrovend loodwerk meer, maar gestandaardiseerde profielen die als losse componenten konden worden gemonteerd. De wederopbouwperiode versnelde deze standaardisatie aanzienlijk. Het 'condensgootje' werd een vast onderdeel van het technisch bestek. Toen dubbel glas in de jaren zeventig de norm werd, veranderde de bouwfysische dynamiek abrupt. Minder condens aan de zichtzijde, maar een verhoogd risico op inwendig vocht in de sponning door luchtdichtere constructies. De geometrie van het profiel moest hierop reageren. Complexer. Geperforeerd voor drukvereffening en ventilatie. Tegenwoordig is het profiel vaak volledig opgenomen in de interne kamerstructuur van het kozijn. Onzichtbaar maar essentieel. De evolutie van een passief gootje naar een integraal onderdeel van de waterhuishouding van de gevelschil.