De realisatie van een concavo-convex oppervlak vangt aan bij het nauwkeurig uitzetten van de wisselende radii op de drager. Het is precisiewerk. Waar de vorm van hol naar bol omslaat, bevindt zich het buigpunt. Dit specifieke punt dicteert de verwerking van de toplaag. Bij materialen zoals metaal is louter buigen ontoereikend. Het materiaal moet fysiek worden vervormd. Ambachtslieden bewerken de banen door middel van gecontroleerd stuiken in de concave zones en het oprekken van de flanken in de convexe gedeelten, een handeling die de interne materiaalspanning herverdeelt. Geen rechte lijnen.
Bij minerale afwerkingen zoals stucwerk of metselwerk verloopt de uitvoering vaak via sjablonen die de beoogde lijnvoering in de ruimte markeren. De dikte van de lagen varieert soms subtiel om de visuele vloeiendheid te waarborgen. Het proces draait volledig om het beheersen van de overgangszone. Een vloeiend verloop vereist dat de verwerker de hoekverdraaiing constant monitort ten opzichte van de hartlijn van de constructie. Elke afwijking in de beginfase versterkt zich immers naarmate de curve vordert. Het eindresultaat staat of valt bij de beheersing van de geometrische verandering.
Binnen de klassieke bouwkunst wordt de concavo-convexe vorm meestal aangeduid als een cyma of ojief. Dit is niet zomaar een golvende lijn. De cyma recta, in de volksmond ook wel de 'rechtopstaande ojief' genoemd, kenmerkt zich door een holle curve aan de bovenzijde die soepel overgaat in een bolle onderzijde. Het oogt licht. Het lijkt te zweven. Daartegenover staat de cyma reversa of 'omgekeerde ojief'. Hierbij is de bovenzijde bol en de onderzijde hol. Architecten passen deze variant vaak toe als dragend element, omdat de bolling visueel meer gewicht lijkt te kunnen dragen. Een subtiel maar fundamenteel verschil in de gevelarchitectuur.
Soms wordt de term verward met een simpele boog. Dat is onjuist. Het wezenlijke onderscheid zit in het buigpunt. Bij een concavo-convex profiel is er altijd sprake van een specifiek omslagpunt waar de kromtestraal van richting verandert. Termen als klokprofiel of de minder formele S-bocht vallen onder dezelfde noemer. In de moderne metalen gevelbouw spreken we eerder over sinusprofielen of golfplaten, waarbij de dubbele kromming zich repetitief herhaalt over de volledige breedte van het materiaal.
Verwarring ontstaat regelmatig met puur concave of puur convexe vormen. Een dakvlak kan hol staan. Of juist bol lopen. Dat is technisch overzichtelijk. Zodra beide vormen in één ononderbroken lijn samenkomen, spreken we pas van concavo-convex. Het materiaal wordt hierbij op twee verschillende manieren gelijktijdig belast. In de holle zone treedt stuiking op, terwijl de bolle zone vraagt om rek. Dit dubbele karakter maakt de vorm uniek. Het dwingt de verwerker tot een andere benadering dan bij een eenzijdige welving.
Kijk omhoog naar de dakrand van een 19e-eeuws herenhuis. Je ziet daar vaak een houten of natuurstenen kroonlijst met een ojiefprofiel. Het licht strijkt langs de gevel. De bolle bovenzijde vangt de volle zon, terwijl de holle onderzijde direct in de schaduw ligt. Deze overgang zorgt voor een scherpe, visuele scheiding tussen de gevel en het dakvlak. Het is een klassiek voorbeeld van hoe een concavo-convex profiel wordt gebruikt om diepte te suggereren waar de ruimte beperkt is.
Een erker met een klokvormige kap. Een uitdaging voor de zinkwerker. De dakbaan begint bij de nok met een lichte bolling (convex) en vloeit naar de goot toe uit in een holle curve (concaaf). Geen knik. Geen naad. De vakman moet het metaal hier letterlijk 'masseren'. In het bovenste deel rekt hij de flanken van de zinkbaan uit, terwijl hij in het onderste, holle deel het materiaal moet stuiken om plooien te voorkomen. Het resultaat is een organisch geheel dat het regenwater gecontroleerd naar de buitenrand dwingt.
In de hedendaagse industriebouw zie je de concavo-convexe vorm op grote schaal terug in sinusplaten. Denk aan de bekende golfplaat. Hier is de vorm puur functioneel en repetitief. De constante afwisseling tussen hol en bol geeft de dunne staal- of aluminiumplaat zijn stijfheid. Zonder deze dubbele kromming zou de plaat direct knikken onder zijn eigen gewicht of door windbelasting. De overlapping van twee platen gebeurt altijd op het omslagpunt, wat een waterdichte aansluiting garandeert zonder de visuele lijn te onderbreken.
De wetgever schrijft geen specifieke esthetische vormen voor, maar de technische integriteit van een concavo-convex oppervlak valt onder de prestatie-eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Constructieve veiligheid staat voorop. Bij het toepassen van dubbel gekromde elementen in de hoofddraagconstructie moeten de berekeningen voldoen aan de vigerende Eurocodes, zoals NEN-EN 1993 voor staal of NEN-EN 1999 voor aluminium. De geometrie mag de stabiliteit niet ondermijnen. Integendeel. Vaak wordt de vorm juist ingezet om stijfheid te genereren bij minimale materiaaldikte.
Voor geprofileerde platen met een sinusvormig (concavo-convex) verloop is de productnorm NEN-EN 14782 van belang. Deze norm stelt eisen aan de mechanische weerstand en de brandveiligheid van zelfdragende dak- en gevelelementen. Waterdichtheid is een ander kritisch punt. Het BBL vereist een deugdelijke afvoer van hemelwater. Bij complexe ojiefprofielen of golvende dakvlakken mag er geen water blijven staan in de concave zones. Dit dwingt tot nauwkeurige detaillering van de aansluitingen en de noodafvoeren. Geen compromissen op het gebied van waterhuishouding.
In beschermde stadsgezichten of bij monumenten speelt de Welstandsnota een bepalende rol. Het vervangen van klassieke concavo-convexe kroonlijsten door vereenvoudigde profielen is vaak niet toegestaan. De oorspronkelijke profilering moet dan exact worden gereproduceerd om het historisch karakter te waarborgen. Architectuur ontmoet handhaving.
De oorsprong van het concavo-convexe profiel ligt in de klassieke oudheid. Griekse bouwmeesters introduceerden de kyma, letterlijk 'golf', als fundamenteel ornament in hun kroonlijsten. Het was geen willekeurige versiering. Het was een zoektocht naar de perfecte schaduwwerking. In de renaissance en vooral de barok radicaliseerde dit concept. Architecten zoals Francesco Borromini beperkten de dubbele kromming niet langer tot kleine lijsten. Complete gevels begonnen te golven. Deze ontwikkeling dwong steenhouwers tot uiterste precisie in de stereotomie, de kunst van het driedimensionaal uitsnijden van complexe steenvormen. Elk blok moest exact aansluiten op de volgende kromming. Een foutmarge bestond niet. De overgang van hol naar bol markeerde de overgang van statische architectuur naar een suggestie van beweging.
Met de komst van de industriële revolutie verschoof de technische focus. Natuursteen maakte plaats voor zink, koper en lood. In de 19e eeuw werd het concavo-convexe profiel toegankelijker voor de burgerlijke woningbouw. Mansardekappen en complexe dakoverstekken vroegen om een nieuwe methodiek. Niet langer beitelen, maar vervormen. De introductie van handmatige zetbanken en specifieke stuikgereedschappen stelde vaklieden in staat om metalen banen over houten mallen te dwingen. Dit was de geboorte van de moderne loodgieterstechniek zoals we die nu kennen. De complexiteit verschoof van het rekenwerk vooraf naar de fysieke beheersing van materiaalspanning op de steiger. Het materiaal dicteerde de grens van de curve.
De 20e eeuw bracht de sinusplaat. Wat ooit een ambachtelijke uiting van status was, werd een functionele noodzaak voor de industrie. De concavo-convexe vorm bleek de ideale geometrie om dunne staalplaten constructieve stijfheid te geven zonder extra gewicht toe te voegen. Tegenwoordig bepaalt parametrisch ontwerp de koers. Computergestuurde walsen en 3D-modellering laten toe dat de radii van hol naar bol constant variëren binnen één enkel paneel. De historische ojief is geëvolueerd van een handgetrokken lijn in de architectuurtraktaten naar een digitaal gegenereerd algoritme. Techniek en esthetiek blijven onlosmakelijk verbonden.