De uitvoering van het chromateren start bij een uiterst grondige voorbehandeling in dompelbaden. Vet, vuil en de natuurlijke oxidelaag moeten volledig wijken. Dit gebeurt meestal via alkalisch ontvetten gevolgd door een zure beitsfase waarin het metaaloppervlak wordt geactiveerd. Het gereinigde materiaal gaat vervolgens het eigenlijke chromateringsbad in. Hier vindt de chemische reactie plaats. De verblijftijd in dit bad luistert nauw. Atomen van het substraat reageren met de chroomzuren in de vloeistof en vormen een gel-achtige conversielaag die zich in het oppervlak verankert.
Spoelen is de volgende kritieke handeling. Vaak gebeurt dit in meerdere trappen met gedemineraliseerd water om alle resterende zouten en actieve zuren te neutraliseren; achtergebleven procesvloeistoffen kunnen immers de latere hechting van coatings ondermijnen. De droging volgt als sluitstuk van de natte fase. Dit vindt plaats in ovens bij gecontroleerde, relatief lage temperaturen. De temperatuur mag doorgaans de 60 tot 65 graden Celsius niet overschrijden om te voorkomen dat de laag uitdroogt en barst, wat de corrosiewerende eigenschappen teniet zou doen. De laag hardt uit en vormt een stabiel fundament voor poederlak of verf. Afhankelijk van de badsamenstelling varieert het resultaat van kleurloos tot geel, groen of bruinachtig, waarbij de kleur vaak een indicatie geeft van de laagdikte en de gebruikte chroomvariant.
De techniek achter chromateren is de laatste jaren fundamenteel veranderd door milieueisen. Ooit was zeswaardig chroom (Cr6+) de norm. Effectief, maar uiterst toxisch. Tegenwoordig regeert het driewaardige chroom (Cr3+). Dit is de veilige standaard binnen de REACH-verordeningen. Het resultaat is een laag die vaak kleurloos of licht iriserend blauw oogt. Hoewel de corrosiewering van Chroom-III technisch gezien anders tot stand komt, benaderen moderne procedés de beschermingsgraad van de klassieke, gele variant. Het proces is sneller geworden. De baden zijn stabieler. De chemie is schoner, maar de controle op de procesparameters blijft onverminderd streng.
De kleur van een gechromateerd onderdeel vertelt direct iets over de gebruikte chemie en de dikte van de conversielaag. Het is een visueel paspoort van de behandeling.
Soms is de laag zo dun dat deze met het blote oog onzichtbaar is. In zulke gevallen gebruikt de kwaliteitscontrole speciale vloeistoffen om de aanwezigheid van de conversielaag aan te tonen. Eén druppel testvloeistof, een kleurreactie, en de garantie is daar.
Verwarring tussen chromateren en anodiseren komt vaak voor, maar de verschillen zijn groot. Anodiseren is een elektrochemisch proces. Er komt stroom aan te pas om de oxidehuid van aluminium kunstmatig te verdikken. Dit resulteert in een keiharde, isolerende laag. Chromateren is anders. Het is een pure dompelreactie zonder elektriciteit. De laag is dunner, zachter en — cruciaal voor de elektronica-industrie — elektrisch geleidend. Waar anodiseren vaak de eindafwerking is, dient chromateren meestal als voorbehandeling. Het is de onzichtbare schakel tussen het brute metaal en de esthetische coating. Geen vervanger, maar een fundering.
Een aluminium vliesgevel aan de kust. Zonder de onzichtbare chroomlaag onder de poedercoating zou de laklaag door de constante blootstelling aan uv-straling en zoutnevel binnen de kortste keren loslaten van het substraat. De chromatering vormt hier de noodzakelijke brug. Het zorgt dat de coating niet alleen hecht, maar ook blijft zitten bij mechanische belasting.
Denk aan de kleine bevestigingsmaterialen in een utiliteitsgebouw. Verzinkte hoekankers of bouten met een opvallende geelgouden glans. Hier fungeert de chromateringslaag als een extra schild voor de zinklaag. Het stelt de vorming van witte roest uit. Dat is essentieel in vochtige kruipruimtes of parkeergarages waar condensvorming aan de orde van de dag is.
In technische ruimtes kom je het tegen bij interne componenten van luchtbehandelingskasten. Vaak moet een onderdeel daar zowel corrosiebestendig als elektrisch geleidend zijn voor de aarding. Waar een laklaag of anodisatie de stroom blokkeert, laat een transparante chromatering de elektrische verbinding intact. Functioneel en veilig. Geen dikke lagen, maar moleculaire precisie.
De juridische kaders voor chromateren zijn de afgelopen jaren drastisch aangescherpt. Centraal staat de Europese REACH-verordening. Deze wetgeving classificeert zeswaardig chroom als een zeer zorgwekkende stof vanwege de kankerverwekkende eigenschappen. Het gebruik ervan is hierdoor nagenoeg uitgefaseerd in de reguliere bouw. Bedrijven die nog met deze stoffen werken, hebben een specifieke autorisatie nodig. De sector is daarom massaal overgestapt op driewaardige alternatieven (Chroom-III). Deze voldoen aan de strengere milieueisen zonder de directe noodzaak voor complexe vergunningstrajecten.
Voor de technische kwaliteit van de conversielagen is NEN-EN 12487 de geldende norm. Deze standaard specificeert de eisen voor chromaatconversielagen op aluminium en aluminiumlegeringen. Het waarborgt dat de laag voldoende corrosiewerend is. In de gevelbouw wordt vaak verwezen naar het Qualicoat-kwaliteitslabel. Dit label stelt strikte eisen aan de chemische voorbehandeling van aluminium profielen voordat ze worden gepoedercoat. Zonder de juiste certificering van het proces mag een coater het Qualicoat-logo niet voeren. Het proces is dus geen vrije keuze van de uitvoerder, maar een strikt gereguleerde handeling.
Arbeidsomstandigheden vallen onder de Arbowetgeving. Bij het werken met chromateringsbaden is bronafzuiging verplicht om blootstelling aan dampen te voorkomen. Ook de opslag van chemicaliën en het lozen van spoelwater zijn gebonden aan strikte omgevingsvergunningen en de Wet milieubeheer. Afvalstromen moeten als chemisch afval worden verwerkt. Controleurs zien hier streng op toe.
De vroege twintigste eeuw markeerde het begin van de chemische conversielaag. Aanvankelijk vooral toegepast binnen de militaire industrie voor de bescherming van vliegtuigen tegen de elementen. Na de Tweede Wereldoorlog sijpelde de techniek razendsnel door naar de burgerbouw. Geelchromateren werd in de jaren '50 en '60 de absolute norm voor verzinkte bevestigingsmaterialen. Die typische goudkleurige glans was overal op de bouwplaats te vinden. Het bood ongekende bescherming. Decennialang was dit de enige manier om staal en aluminium in agressieve milieus te handhaven zonder dat de verf er na twee jaar afbladderde.
Toen kwam de omslag. De jaren '90 brachten een groeiend milieubewustzijn en de schaduwzijde van zeswaardig chroom (Cr6+) werd onmiskenbaar. Giftig. Kankerverwekkend. Europese wetgeving zoals de RoHS-richtlijn en de REACH-verordening dwongen de sector tot een radicale koerswijziging. Het vertrouwde 'geel' moest wijken. Fabrikanten zochten koortsachtig naar alternatieven die dezelfde hechting boden zonder de ecologische schade. Dit leidde tot de opkomst van driewaardig chroom (Cr3+). Een technologische sprong. Van toxische dompelbaden naar stabielere, vaak kleurloze procedés die we vandaag de dag als standaard hanteren voor elk duurzaam bouwproject. De focus verschoof definitief van maximale laagdikte naar moleculaire efficiëntie.
Alurvs | Tosec | Galvanovanwolferen | Nl.admetalsurfacetreatment | Haveman-edelmetaal