De uitvoering start vaak bij de tekentafel waar de verhoudingen tussen het tekstveld en de omringende voluten nauwkeurig worden uitgezet op ware grootte. Een steenhouwer selecteert vervolgens een homogeen blok natuursteen, bij voorkeur een soort zonder harde aders die de fijne bewerking kunnen verstoren. Eerst wordt de steen 'opgezet'. Met de vuisthamer en grove beitels verwijdert de vakman de overtollige massa totdat de contouren van het rolwerk zichtbaar worden. Het is een fysiek proces. De diepte in het reliëf ontstaat door laag voor laag materiaal weg te nemen, waarbij de krullen hun plastische vorm krijgen.
Wanneer de hoofdvorm staat, volgt het verfijnde beitelwerk voor de detaillering van de krullen en overlappingen. Het creëren van de illusie dat harde steen zich gedraagt als soepel leer of papier vereist grote technische vaardigheid. De inscriptie vormt de finale fase van de bewerking. Letters en cijfers worden doorgaans in een scherpe V-vorm uitgehakt. Deze techniek maximaliseert de schaduwwerking, waardoor de tekst zelfs bij indirecte lichtinval vanaf de straatkant leesbaar blijft. Het centrale vlak wordt hierbij vaak iets verdiept of juist bol uitgevoerd om het contrast met de omlijsting te vergroten.
De plaatsing in de gevel vraagt om nauwkeurig stelwerk. Een cartouche wordt vaak als los element of als onderdeel van een grotere gevelsteen in de constructie opgenomen. Verankering vindt plaats met roestvrijstalen doken die in de achterliggende muur worden vastgezet. Soms fungeert het element als sluitsteen in een ontlastingsboog. De aansluiting op het omliggende metselwerk moet naadloos zijn. Geen kieren. Een zorgvuldige afwerking van de voegen rondom het ornament is noodzakelijk om inwatering en daaropvolgende vorstschade aan het fijngevoelige rolwerk te voorkomen.
De vormgeving van de cartouche evolueerde van strakke geometrie naar organische chaos. In de vroege Renaissance domineerde het rolwerk. Denk aan repen leer of vellen perkament die aan de uiteinden opkrullen. Het ziet er soepel uit. Toch is het zandsteen. Vaak tref je deze variant aan op Hollandse trapgevels waar het jaartal prominent wordt getoond. De overgang naar de barok bracht de kwabstijl voort, een typisch Nederlands fenomeen uit de zeventiende eeuw. Het ornament lijkt hier bijna vloeibaar of vleesachtig. De lijnen zijn week en grillig. Bijna alsof de steen smelt onder de zon.
In de achttiende eeuw verschoof het accent naar de rocaille. Asymmetrie werd de norm. C-vormige krullen en schelpmotieven sieren dan de bovenkant van raampartijen of de kroonlijst. Het is luchtiger. Minder zwaar dan de zeventiende-eeuwse voorgangers. De Empire-stijl sloeg later een totaal andere weg in; daar zijn de cartouches juist weer symmetrisch en streng, vaak geflankeerd door strakke lauwerkransen of pijlkokers. Strakke lijnen voeren de boventoon. Geen krullen, maar discipline.
Verwarring met de gevelsteen ligt op de loer. Hoewel ze dikwijls samen voorkomen, zit het essentiële verschil in de vormgeving van de rand. Een gevelsteen is primair de informatiedrager — de steen zelf met de afbeelding of tekst. De cartouche is specifiek de rijk versierde omlijsting in die karakteristieke rol- of krulvorm. Niet elke gevelsteen beschikt dus over een cartouche-omlijsting. Soms is een steen simpelweg rechthoekig zonder opsmuk. Een medaillon is eveneens een nauwe verwant, maar dit element is per definitie rond of ovaal. Het mist de typische 'geknepen' of opgekrulde randen die een cartouche zijn plastische diepte geven.
Dan is er nog de spiegel. Een verdiept of verhoogd vlak kader. Maar zonder de extreme krullen. Het is de sobere variant. Waar de spiegel rust uitstraalt, zoekt de cartouche de confrontatie met de kijker op. Dynamiek versus statiek. Een schildvormige cartouche wordt ook wel een scutcheon genoemd in de heraldiek, al blijft in de architectuur de term cartouche leidend voor het gehele ornamentale blok.
Stel je een wandeling voor langs de Amsterdamse Herengracht. Je blik dwaalt omhoog naar de top van een trapgevel. Daar, precies onder de afdekplaat, zie je het jaartal 1648. De cijfers staan niet zomaar op een platte steen; ze worden omhelst door stenen krullen die doen denken aan een opgerold perkamenten manuscript. Dit is de cartouche in zijn meest klassieke vorm. De diepe schaduwen in de holtes van het rolwerk zorgen ervoor dat het jaartal zelfs op een grijze dag vanaf de straatkant haarscherp leesbaar blijft.
Een ander scenario tref je aan bij de entree van een achttiende-eeuws herenhuis. Boven de dubbele voordeur fungeert een cartouche als drager voor het familiewapen van de oorspronkelijke bewoners. De omlijsting is asymmetrisch, uitgevoerd in de zwierige rocaille-stijl van de rococo. Het lijkt alsof de steen vloeibaar is geworden. Het contrast met de strakke, verticale lijnen van de pilasters ernaast is groot. Hier dient het ornament niet alleen als informatiebron, maar vooral als een visueel ankerpunt dat de status en rijkdom van de eigenaar direct communiceert aan iedereen die de drempel overstapt.
Tijdens een restauratieproject komt de technische functie soms pijnlijk duidelijk naar voren. Een aannemer verwijdert oude verflagen van een sluitsteen boven een venster. Onder de dikke koek van decennia aan schilderwerk komt een cartouche tevoorschijn. De fijne vellingkanten zijn door erosie nagenoeg verdwenen. De vakman ziet hier hoe de cartouche ooit een dubbele rol speelde: het leidde de krachten van de bovenliggende muur zijwaarts weg via de ontlastingsboog, terwijl het tegelijkertijd een decoratieve eenheid vormde met de rest van het beeldhouwwerk aan de gevel. Zonder de cartouche zou de gevel een doodse, functionele gatenkaas zijn.
Wie aan een cartouche op een historisch pand werkt, krijgt vrijwel direct te maken met de Erfgoedwet. Veel van deze rijk gedecoreerde elementen maken integraal deel uit van een rijksmonument of gemeentelijk monument. Zomaar restaureren of overschilderen is er niet bij. Voor dergelijke ingrepen is een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit vereist. De regelgeving richt zich op het behoud van de cultuurhistorische waarde. Dit betekent dat materiaalgebruik en techniek bij herstel vaak moeten overeenkomen met de oorspronkelijke staat. Vervanging door gietvormen van kunsthars is bij beschermde gevels meestal uitgesloten. Authenticiteit prevaleert boven gemak.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) schrijft voor dat gevelonderdelen geen gevaar mogen opleveren voor de omgeving. Een cartouche is vaak een zwaar object van natuursteen. De zorgvuldigheidsplicht is hier onverbiddelijk. Bij inspecties van oudere gebouwen wordt specifiek gekeken naar de staat van de verankering. Corrosie van oude ijzeren doken kan de steen doen splijten. Vallende ornamenten zijn een nachtmerrie voor elke gebouweigenaar. Volgens de technische richtlijnen voor gevelonderhoud moet de bevestiging tegenwoordig vaak worden uitgevoerd in roestvast staal om de levensduur en veiligheid te garanderen. Een gebrekkige staat van onderhoud kan leiden tot handhavingsacties vanuit de gemeente, zeker wanneer de cartouche direct boven de openbare weg hangt.
Het begon bij papier. Perkamentrollen die verstarden in zandsteen. De cartouche vindt zijn oorsprong in de behoefte om tekstuele informatie — namen, data, titels — visueel te isoleren van de rest van het bouwwerk. In de zestiende eeuw verschoof het zwaartepunt van eenvoudige tekstplaten naar plastische omlijstingen. Prentboeken speelden hierin een cruciale rol. Zonder de wijdverspreide gravures van ontwerpers zoals Hans Vredeman de Vries had de cartouche nooit zo’n dominante plek gekregen in de Noord-Europese bouwkunst. Ambachtslieden namen de papieren ontwerpen over en vertaalden de tweedimensionale krullen naar driedimensionale diepte in natuursteen. Een technische vertaalslag van plat vlak naar reliëf.
Technische innovatie dreef de ontwikkeling. Aanvankelijk bleven de vormen dicht bij de fysieke eigenschappen van het materiaal dat ze imiteerden: strak opgerolde randen die herkenbaar waren als papier of leer. Gaandeweg raakte de vorm los van de oorsprong. In de zeventiende eeuw werd de cartouche complexer en vaker constructief geïntegreerd in de gevelcompositie. Het was niet langer enkel een losse plaat die tegen de gevel werd geplakt. Het werd een integraal onderdeel van de ontlastingsboog of de gevelbeëindiging. De schaal vergrootte. Met de opkomst van stucwerk in de achttiende eeuw verplaatste het element zich bovendien naar het interieur, waar de cartouche boven schouwen en deuren een zachtere, meer vloeiende vorm aannam door de kneedbaarheid van gips. De harde wetten van de steenhouwerij golden daar niet meer.
Nl.wikipedia | Nl.wiktionary | Encyclo | En.wikipedia | Documentatie | Glosbe