Problemen met een cacheerlaag ontstaan meestal door een verkeerde materiaalkeuze of beschadiging tijdens de bouwfase. Een brandbare cacheerlaag bij een gebrande bitumineuze dakbedekking. Die combinatie leidt tot smelten of wegbranden van de bedekking. Het isolatiemateriaal komt dan direct bloot te liggen.
Beschadigingen tijdens transport of montage. Een scheur in de aluminiumfolie maakt de dampremmende werking ongedaan. Vocht uit de constructie condenseert vervolgens in de isolatiekern. Het isolatievermogen daalt merkbaar. Bij minerale wol is dat effect groter dan bij geslotencellige PIR-platen.
Onvoldoende hechting tussen cacheerlaag en isolatiekern. Delaminatie treedt op, de laag laat los. De toplaag functioneert niet meer als bescherming. Bij mechanische bevestiging van de dakbedekking kan de cacheerlaag scheuren, waardoor de verankering verslechtert.
Gevolgen in de praktijk: een nat dakpakket, koudebruggen op plaatsen waar de laag ontbreekt, en uiteindelijk een kortere levensduur van het hele daksysteem.
De variatie zit 'm in het materiaal van de cacheerlaag. Ieder type heeft een eigen functie.
Aluminiumfolie. De meest toegepaste cachering. Werkt dampdicht en reflecteert warmtestraling. Zit standaard op PIR- en PUR-platen. Folie is dun, maar kwetsbaar voor beschadiging.
Glasvlies of glasweefsel. Brandwerend, geen dampremmende werking. Specifiek bedoeld voor platte daken waar bitumen wordt gebrand. De hitte van de brander tast deze laag niet aan.
Minerale coating. Een laag op basis van mineralen, vaak in combinatie met glasvlies. Ook brandwerend. Biedt een licht ruw oppervlak voor goede verlijming van dakbanen.
Kunststoffolie. Dampremmend, maar minder hittebestendig dan aluminium. Wordt gebruikt bij platen die verlijmd of mechanisch bevestigd worden, niet bij branden.
Geprofileerd of gestanst metaal. Zelden als cacheerlaag aangeduid, maar bij sandwichpanelen voor gevels of daken fungeert de stalen of aluminium buitenzijde ook als bescherming. In die context spreekt men meestal van de 'metal facing' of 'deklaag'.
Verwarring ontstaat soms met de term dampremmende laag. Die zit aan de warme binnenzijde van de constructie. Een cacheerlaag zit aan de koude buitenzijde. Of een cacheerlaag dampremmend is, hangt af van het materiaal, aluminium wel, glasvlies niet.
De aannemer plaatst PIR-platen met een aluminium cacheerlaag. De folie ligt aan de bovenkant. De dakdekker brandt vervolgens de bitumineuze dakbanen erop. Binnen een minuut is de aluminiumlaag plaatselijk gesmolten. De isolatiekern ligt nu open. Het bitumen hecht niet meer. De oplossing: PIR met glasvlies-cacheerlaag, die de branderhitte wél aan kan.
De oude glaswol tussen de gordingen is vervangen. De nieuwe platen hebben een kunststof cacheerlaag aan de buitenzijde. De timmerman ziet dat de laag op meerdere plekken is gescheurd tijdens het passen. Gevolg: vocht uit de buitenlucht condenseert in de wol. De isolatiewaarde zakt in. Een snelle reparatie met luchtdichte tape herstelt de dampremmende functie.
Op de betonvloer liggen EPS-platen met een minerale coating als cacheerlaag. De constructie is omgekeerd: isolatie bovenop de waterkering. De coating heeft een ruw oppervlak, ideaal voor de lijm van de chape. Zonder die laag zou de chape niet hechten en ontstaan er losse vlakken in de vloer.
Voor een cacheerlaag is geen specifieke wet die het gebruik ervan vastlegt. Wel spelen algemene bouwregelgeving een rol. Het Bouwbesluit (per 1 januari 2024 deels opgegaan in het Besluit bouwwerken leefomgeving) stelt eisen aan de thermische isolatie van een gebouw. De cacheerlaag is een onderdeel van dat isolatiepakket. Als de laag een dampremmende functie heeft, raakt dit aan vochtbeheersing, een vereiste in het Bouwbesluit om schade en gezondheidsrisico's te voorkomen. De dampremmende werking van een aluminium cacheerlaag moet passen binnen de vochtbalans van de totale constructie, zoals beoordeeld in de NEN 2778. Deze norm geeft een rekenmethode voor vocht in bouwconstructies en toetst of de dampremmende laag aan de juiste zijde zit. Verder kan de brandveiligheid van de cacheerlaag relevant zijn. Als de laag onderdeel uitmaakt van een brandwerende constructie, zoals bij een brandwerende dak- of gevelbekleding, dan moet de brandklasse van het materiaal voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. De leverancier van de isolatieplaat vermeldt deze brandklasse in de prestatieverklaring. De verwerker controleert of die klasse past bij de toepassing. De relatie is dat de cacheerlaag geen opzichzelfstaand product is, maar een functionele laag in een systeem dat aan overkoepelende regels moet voldoen.
Het concept van een cacheerlaag is ontstaan met de opkomst van kunstmatige isolatiematerialen in de tweede helft van de twintigste eeuw. PIR en PUR kwamen beschikbaar als hoogwaardige isolatie, maar hun cellenstructuur was gevoelig voor vocht. De eerste fabrikanten brachten een dunne aluminiumfolie aan om de kern te beschermen. Dat was effectief, maar niet brandwerend.
In de jaren zeventig en tachtig werd het branden van bitumineuze dakbedekking op platte daken de norm. De hitte van de brander smolt de aluminiumlaag. Fabrikanten ontwikkelden daarop cacheringen van glasvlies of minerale coating die de temperatuur konden weerstaan. De dampremmende functie bleef bij aluminium, bij glasvlies verdween die juist.
De bouwsector stapte langzaam over van minerale wol naar PIR voor daken. De cacheerlaag veranderde mee. Waar glaswol ooit een eenvoudige papieren bekleding had, kregen platen nu een meerlaagse opbouw. De cachering werd onderdeel van het systeem, geen losse toevoeging meer.
Regelgeving dwong tot betere vochtbeheersing. NEN 2778 legde vast hoe dampremmende lagen in de constructie moesten zitten. De cacheerlaag kreeg daarmee een dubbele functie: bescherming tijdens de bouw én onderdeel van de bouwfysische prestatie.
Joostdevree | Encyclo | Isolatiemateriaal | Gathering.tweakers | Kiwa | Verzekeraars | Bmt