De realisatie van breuksteenwerk vangt aan met een nauwgezette visuele selectie van het beschikbare materiaal op de bouwplaats. De verwerker beoordeelt elke individuele steen op zijn bruikbaarheid binnen het grotere geheel. Grote, zware blokken vormen doorgaans de ondersteunende lagen om een stabiele basis te garanderen. Men zoekt bij elke steen naar een relatief vlakke zijde die als zichtkant kan dienen, terwijl de onregelmatige achterkant diep in de mortelbedding wordt gedrukt voor een solide mechanische verankering. Het is een spel van massa en zwaartekracht.
Tijdens het opbouwen worden de stenen zo gepositioneerd dat ze fysiek in elkaar haken. Men vermijdt doorgaande verticale voegen nauwgezet; een dergelijke 'klezoor' zou de constructieve integriteit van de muur direct ondermijnen. Het verband ontstaat organisch tijdens de bouw. De vaak aanzienlijke holtes tussen de stenen worden opgevuld met een ruime hoeveelheid mortel die de variabele tussenruimtes overbrugt. Soms worden kleinere steenfragmenten in de brede voegen geslagen om de hoeveelheid benodigde mortel te beperken en de interne stabiliteit te verhogen. Geen prefab logica. De mortel fungeert hierbij als een egaliserende buffer tussen de onvoorspelbare contouren van de natuursteen. Het proces vraagt om een constante controle op het loodrecht verloop van de wand, terwijl de buitenzijde juist die karakteristieke, ruwe textuur behoudt door de stenen niet te diep in te voegen.
De mate waarin een vakman structuur aanbrengt in de chaos, bepaalt de classificatie van het breuksteenwerk. In zijn meest pure vorm spreken we van wild breuksteenwerk. Hierbij ontbreekt elke suggestie van horizontale gelaagdheid. De stenen worden simpelweg gepast op basis van hun natuurlijke vorm, waarbij de voegen alle kanten op schieten. Het is een puzzel zonder voorbeeld.
Tegenover deze volledige willekeur staat het gelaagd breuksteenwerk, in vaktaal ook wel gelaagd verband genoemd. Men brengt hierbij kunstmatige rustpunten aan door over de volledige breedte van de muur, om de dertig tot zestig centimeter, een min of meer horizontale voeglijn te trekken. Dit vraagt om een zorgvuldige selectie van vlakkere stenen voor die specifieke lagen. Het resultaat oogt rustiger en constructief meer gecontroleerd dan de wilde variant.
Soms ondergaat de ruwe steen een lichte bewerking voordat deze de muur in gaat. Wanneer de blokken aan de voorzijde grof vierkant worden gekapt, spreekt men van gekantrecht breuksteenwerk. Het houdt het midden tussen ruw natuursteen en de strakke blokken van ashlar (blokwerk). De overgang is vaak fluïde.
Het onderscheid met mozaïekwerk is essentieel; waar breuksteenwerk constructief is en de volledige diepte van de muur beslaat, is mozaïekwerk vaak een dunne, decoratieve afwerking tegen een achterliggende constructie van beton of baksteen. Breuksteenwerk draagt zichzelf.
Stel u een herstelproject voor van een historische vestingmuur. De onderzijde van de wal, waar het water tegenaan slaat, bestaat uit massieve blokken zandsteen. Geen enkele voeg loopt recht. De vakman ter plaatse past een zware steen met een bolle zijde precies in de holte van twee onderliggende blokken. Hij tikt met een vuisthamer een kleine scherf in de resterende opening. De stabiliteit ontstaat direct. Er komt geen waterpas aan te pas; het oog van de verwerker bepaalt de balans tussen massa en vorm.
In een tuin met aanzienlijke hoogteverschillen wordt breuksteenwerk ingezet als natuurlijke kering. De stenen worden hier vaak 'droog' gestapeld, zonder mortel. Regenwater vindt zijn weg door de kieren. Dit voorkomt dat hydrostatische druk de muur naar voren drukt. De onderste laag bestaat uit de breedste, platste blokken. Ze liggen iets achterover hellend tegen de grond aan. Het is een levend bouwwerk; in de diepe voegen nestelen zich mossen en kleine varens, waardoor de muur na enkele jaren volledig opgaat in de omgeving.
| Situatie | Kenmerkend aspect |
|---|---|
| Sokkel van een boerderij | Bescherming tegen optrekkend vocht en mechanische schade door vee. |
| Wijnkelderwand | Thermische massa die de temperatuur constant houdt, gecombineerd met een vochtregulerend vermogen. |
| Oeververdediging | Breuksteen in schanskorven of los gestort, waarbij de onregelmatigheid de golfslag breekt. |
Een moderne variant zien we in de interieurbouw. Een zware wand van breuksteen vormt daar de achtergrond voor een strakke open haard. De stenen zijn hier vaak aan de achterzijde vlak gezaagd om strak tegen een kalkzandsteen achterwand te passen, maar de zichtzijde behoudt de ruwe, gebroken textuur van de steengroeve. Het licht van de spots scheert over de pieken en dalen van het oppervlak. Schaduwen worden lang en grillig. Het is een visueel statement van onverwoestbaarheid midden in een verder steriele ruimte.
De veiligheid moet gewaarborgd zijn. NEN-EN 1996, ook wel Eurocode 6 genoemd, dicteert de rekenregels voor het ontwerp van metselwerkconstructies waarin ook de grillige vormen van natuursteen een plek vinden. Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) stelt de harde eisen aan de mechanische sterkte van elke muur of kering. Geen enkel risico op instorting. De stenen zelf vallen onder de productnorm NEN-EN 771-6. Deze norm stelt strikte eisen aan de duurzaamheid, zoals de vorstbestendigheid en de minimale druksterkte van de natuursteenblokken, om te voorkomen dat het materiaal onder belasting of door weersinvloeden bezwijkt.
Bij historisch breuksteenwerk is de Erfgoedwet vaak van kracht. Wie een monument herstelt, krijgt te maken met de Omgevingswet en de bijbehorende vergunningsplichten voor het wijzigen van beschermde objecten; men mag de historische substantie niet zomaar naar eigen inzicht aanpassen. Het is cruciaal dat de mortelsamenstelling en de stapeltechniek nauwgezet aansluiten bij de oorspronkelijke bouwstijl. Een te harde cementmortel kan historische natuursteen onherstelbaar beschadigen door opsluiting van vocht en daaropvolgende vorstschade. Vakmanschap is hier feitelijk een wettelijke randvoorwaarde voor behoud.
De Romeinen perfectioneerden deze methode met hun opus incertum. Zij combineerden een kern van gietwerk met een buitenzijde van onregelmatige natuursteen. Het was efficiëntie uit noodzaak; restmateriaal uit groeven kreeg een structurele functie. In de middeleeuwse vestingbouw bleef dit principe dominant. Dikke muren bestonden vaak uit twee schillen van breuksteen met daartussen een vulling van puin en kalk. Het was een systeem van massa. In de Lage Landen bleef de toepassing echter geografisch beperkt door een gebrek aan lokale steenrotsen. In de Noordelijke Nederlanden nam de baksteen de rol over, terwijl in de Ardennen en de Limburgse grensstreek de traditie van het breuksteenwerk ononderbroken standhield.
Met de opkomst van de industriële revolutie en de normalisatie van bouwmaterialen verdween de functionele noodzaak. Breuksteenwerk verschoof van een alledaagse constructiemethode naar een esthetisch statement. Wat ooit een goedkope oplossing was met lokaal voorhanden materiaal, werd een arbeidsintensief ambacht. De kennis van het 'lezen' van de steen raakte gespecialiseerd. Vandaag de dag zien we een herwaardering binnen de ecologische bouw en landschapsarchitectuur, waar de waterdoorlatendheid van droog stapelwerk opnieuw als technisch voordeel wordt erkend.